Beta
BWBR0004627
BWBR0004627 — Kieswet
Beta. Legal information, not legal advice. LEGALDIGM is not a law firm. Check the official source for the current text.
Afdeling I Algemene bepalingen – Hoofdstuk A Inleidende bepalingen – § 1 Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
algemeen bestuur: vertegenwoordigend orgaan van een waterschap voor zover het leden betreft van de categorie, bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel a, van de Waterschapswet;
dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van een waterschap.
Afdeling I Algemene bepalingen – Hoofdstuk A Inleidende bepalingen – § 2 De Kiesraad
Er is een Kiesraad, gevestigd te 's-Gravenhage.
1. De Kiesraad heeft tot taak:
a. op te treden als centraal stembureau in de gevallen waarin de wet dat voorschrijft;
b. de regering en de beide kamers der Staten-Generaal van advies te dienen in aangelegenheden die de verkiezingen of uitvoeringstechnische aangelegenheden die het kiesrecht betreffen;
c. zorg te dragen voor programmatuur die bij de verkiezingen wordt gebruikt overeenkomstig de bij of krachtens deze wet te stellen bepalingen;
d. de kwaliteit van de uitvoering van het verkiezingsproces te bevorderen in de gevallen waarin de wet dat voorschrijft;
e. de uitslagen van de op basis van deze wet gehouden verkiezingen te verzamelen en op een algemeen toegankelijke wijze te ontsluiten;
f. de overige in deze wet aan hem opgedragen taken ten uitvoer te leggen.
2. De taak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt door de voorzitter, de daartoe aangewezen leden en de buitengewone leden van de Kiesraad uitgeoefend.
3. Indien het een verkiezing betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen A 12, A 13, Ea 10, Ea 11 en Ea 12 uitgeoefend door een ondervoorzitter en daartoe aangewezen leden van de Kiesraad die niet tevens belast zijn met de uitoefening van de taak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op de Kiesraad, met uitzondering van de artikelen 12, 21 en 22.
1. De Kiesraad bestaat uit een voorzitter, zes andere leden en twee buitengewone leden. De Kiesraad kan uit de leden ondervoorzitters aanwijzen.
2. De buitengewone leden oefenen alleen de taak van de Kiesraad, bedoeld in artikel A 3, eerste lid, onderdeel a, uit. Zij worden niet als ondervoorzitter aangewezen.
3. Artikel 11 van de Kaderwet adviescolleges is van toepassing op de Kiesraad.
4. De leden en de buitengewone leden van de Kiesraad worden benoemd op grond van hun deskundigheid op het gebied van het kiesrecht en de verkiezingen. Artikel 12, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges is van toepassing.
5. De leden en de buitengewone leden van de Kiesraad worden op eigen aanvraag door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ontslagen. Zij kunnen voorts bij koninklijk besluit worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid dan wel wegens andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen. De voordracht voor schorsing of ontslag wordt niet gedaan dan nadat de Kiesraad daarover is gehoord.
1. Artikel 16 van de Kaderwet adviescolleges is van toepassing op de Kiesraad.
2. De artikelen 21 en 29 van de Kaderwet adviescolleges zijn niet van toepassing op de Kiesraad.
De Kiesraad stelt een bestuursreglement vast en maakt het reglement na de goedkeuring, bedoeld in artikel 11 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, bekend in de Staatscourant.
1. De Kiesraad heeft een secretaris en een ondersteunend bureau.
2. De secretaris en de medewerkers van het bureau zijn geen lid van de Kiesraad.
3. In afwijking van artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 vertegenwoordigt de voorzitter van de Kiesraad de Staat bij het sluiten, wijzigen en beëindigen van individuele arbeidsovereenkomsten met de secretaris en de medewerkers van de Kiesraad.
1. De Kiesraad kan personen aanwijzen die namens hem uitvoering geven aan de taak, bedoeld in artikel A 11, eerste lid.
2. De personen, bedoeld in het eerste lid, zijn geen lid van de Kiesraad of een persoon die een functie vervult in het verkiezingsproces die onverenigbaar is met de taak, bedoeld in artikel A 11, eerste lid, en kunnen worden aangewezen, indien zij:
a. op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt;
b. op de dag van aanwijzing niet: 1⁰. bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het kiesrecht zijn ontzet; 2⁰. een gekozen lid van het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing wordt gehouden of een kandidaat voor de verkiezing zijn, en
c. naar het oordeel van de Kiesraad over voldoende kennis en vaardigheden beschikken op het terrein van het verkiezingsproces.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toekenning door de Kiesraad van een vergoeding aan de personen, bedoeld in het eerste lid.
Afdeling I Algemene bepalingen – Hoofdstuk A Inleidende bepalingen – § 3 Kwaliteitsbevordering van de uitvoering van het verkiezingsproces
In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
stembureau: elk stembureau, briefstembureau, gemeentelijk stembureau, hoofdstembureau, nationaal briefstembureau en centraal stembureau als bedoeld in deze wet.
1. Ter bevordering van de kwaliteit van het verkiezingsproces ondersteunt de Kiesraad de burgemeester, burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur en een stembureau bij de uitvoering van de taken die op grond van deze wet aldaar zijn belegd.
2. De Kiesraad stelt, na overleg met een instantie die representatief kan worden geacht voor de colleges van burgemeester en wethouders, een instantie die representatief kan worden geacht voor de dagelijkse besturen, dan wel de openbare lichamen, bedoeld in artikel Ya 2, onderdeel a, een plan op voor de wijze waarop de Kiesraad met de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders, de dagelijkse besturen, de bestuurscolleges en de gezaghebbers van de openbare lichamen, bedoeld in artikel Ya 2, onderdeel a, en een stembureau samenwerkt en de wijze waarop de ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, en de bevoegdheid, bedoeld in artikel A 12, worden uitgeoefend. De Kiesraad maakt het plan op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar.
3. Ter ondersteuning van de uitvoering van het verkiezingsproces kan de Kiesraad instructies en kwaliteitsstandaarden voor een goede uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet opstellen.
4. In geval van onvoorziene omstandigheden gedurende de uitvoering van het verkiezingsproces kan de Kiesraad regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de stembureaus in die omstandigheden moeten handelen. Daarbij wordt tevens de datum vastgesteld waarop deze regels vervallen. De door de Kiesraad gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de Kiesraad de colleges van burgemeester en wethouders, de dagelijkse besturen en de openbare lichamen betrekt bij de uitoefening van de taak, bedoeld in het eerste lid.
1. De Kiesraad kan de voorzitter van een stembureau of een stembureau een procesaanwijzing geven, indien:
a. zich onregelmatigheden voordoen met betrekking tot de feitelijke gang van zaken op plaatsen of gedeelten daarvan die door een stembureau in gebruik zijn ten behoeve van de uitvoering van een verkiezing als bedoeld in deze wet, die kunnen leiden tot risico’s voor het verloop van de verkiezing of de betrouwbaarheid van de uitslag van de verkiezing, en
b. overleg er niet toe heeft geleid dat de onregelmatigheden en het gevaar voor de geconstateerde risico’s zijn weggenomen.
2. Een procesaanwijzing heeft in ieder geval geen betrekking op:
a. de uitoefening van de taken en bevoegdheden die in deze wet aan de burgemeester, burgemeester en wethouders, dan wel het dagelijks bestuur zijn toegekend, en
b. de uitkomst van een vaststelling als bedoeld in de artikelen N 6, N 25, Na 18, Na 26, O 5, P 20 en T 10.
3. Een procesaanwijzing is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.
4. De Kiesraad stelt bij het geven van een procesaanwijzing een termijn waarbinnen aan de procesaanwijzing moet zijn voldaan.
5. Ingeval van een procesaanwijzing stelt de Kiesraad de burgemeester en burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente hiervan onmiddellijk in kennis.
1. De Kiesraad stelt bij een verkiezing een rapportage van bevindingen op over de onregelmatigheden die door de Kiesraad zijn vastgesteld met betrekking tot de feitelijke gang van zaken op plaatsen of gedeelten daarvan die door een stembureau in gebruik zijn ten behoeve van de uitvoering van een verkiezing als bedoeld in deze wet en van de procesaanwijzingen die op grond van artikel A 12, eerste lid, zijn gegeven.
2. De Kiesraad zendt de rapportage van bevindingen zo spoedig mogelijk na vaststelling ervan aan het betrokken vertegenwoordigend orgaan en maakt deze op algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar.
1. Indien de Kiesraad naar aanleiding van geconstateerde onregelmatigheden met betrekking tot een verkiezing die leiden tot risico’s voor de geldigheid van de stemming van oordeel is dat een nieuwe stemming als bedoeld in artikel V 6, tweede lid, in één of meer stembureaus of provincies noodzakelijk is, maakt de Kiesraad dit uiterlijk voor aanvang van het onderzoek, bedoeld in artikel V 4, eerste lid, schriftelijk aan het vertegenwoordigend orgaan kenbaar en vermeldt daarbij de stembureaus of provincies die het betreft.
2. De Kiesraad maakt een oordeel als bedoeld in het eerste lid op algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar.
Burgemeester, burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur, het gemeentelijk stembureau, het nationaal briefstembureau, het hoofdstembureau en het centraal stembureau verstrekken de Kiesraad desgevraagd en uit eigen beweging gegevens en inlichtingen die de Kiesraad nodig heeft voor de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden, bedoeld in deze paragraaf.
Onverminderd artikel 20 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen verstrekt de Kiesraad aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit eigen beweging inlichtingen over een door de Kiesraad geconstateerde onregelmatigheid die leidt tot ernstige risico’s voor het verloop van de verkiezing of de betrouwbaarheid van de uitslag van de verkiezing.
Afdeling II De verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten, van de algemene besturen, van de gemeenteraden en van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn – Hoofdstuk B Het kiesrecht
1. De leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling Nederlander zijn en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, met uitzondering van degenen die op de dag van de kandidaatstelling hun werkelijke woonplaats hebben in Aruba, Curaçao of Sint Maarten.
2. Deze uitzondering geldt niet voor:
a. de Nederlander die gedurende ten minste tien jaren ingezetene van Nederland is geweest;
b. de Nederlander die in Nederlandse openbare dienst in Aruba, Curaçao of Sint Maarten werkzaam is, alsmede zijn Nederlandse echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel en kinderen, voor zover dezen met hem een gemeenschappelijke huishouding voeren.
De leden van provinciale staten worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de provincie, mits zij Nederlander zijn en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.
1. De leden van het algemeen bestuur worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van het waterschap en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.
2. Artikel B 3, tweede lid, aanhef en onderdeel a, en derde lid, is van toepassing.
1. De leden van de gemeenteraden worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling ingezetenen zijn van de gemeente en op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.
2. Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen om kiesgerechtigd te zijn op de dag van de kandidaatstelling tevens te voldoen aan de vereisten dat:
a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l, van de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en
b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag van de kandidaatstelling gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel op grond van artikel 3 of artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES.
3. Niet kiesgerechtigd zijn zij die geen Nederlander zijn en, als door andere staten uitgezonden leden van diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen, in Nederland werkzaam zijn, alsmede hun niet-Nederlandse echtgenoten, geregistreerde partners of levensgezellen en kinderen, voor zover dezen met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren.
1. Onder ingezetenen van Nederland, van de provincie, van het waterschap en van de gemeente verstaat deze wet hen die onderscheidenlijk in Nederland, in de provincie, in het waterschap en in de gemeente werkelijke woonplaats hebben.
2. Zij die als ingezetene met een adres in een gemeente zijn ingeschreven in de basisregistratie personen, worden voor de toepassing van deze wet, behoudens bewijs van het tegendeel, geacht werkelijke woonplaats te hebben in die gemeente.
3. Zij die als ingezetene met een adres zijn ingeschreven in de basisregistratie personen, worden voor de toepassing van deze wet, behoudens bewijs van het tegendeel, geacht werkelijke woonplaats te hebben in het waterschap waaronder dat adres valt.
1. Van het kiesrecht zijn uitgesloten zij die bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het kiesrecht zijn ontzet. De uitsluiting wordt beoordeeld naar de toestand op de dag van de kandidaatstelling.
2. Onze Minister van Justitie en Veiligheid draagt zorg, dat van elke onherroepelijke rechterlijke uitspraak als bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk mededeling wordt gedaan. Indien de betrokkene als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen wordt mededeling gedaan aan de burgemeester van de gemeente waar betrokkene volgens de basisregistratie zijn adres heeft. In andere gevallen wordt mededeling gedaan aan de burgemeester van de gemeente ’s-Gravenhage. In de mededeling worden naam, voorletters of voornamen, adres en geboortedatum van de betrokkene alsmede de duur van de uitsluiting vermeld.
3. De burgemeester respectievelijk de burgemeester van 's-Gravenhage stelt de persoon na ontvangst van de mededeling in kennis van zijn uitsluiting en de duur daarvan.
1. Kiesgerechtigde personen aan wie op de dag van de stemming rechtmatig hun vrijheid is ontnomen, oefenen hun kiesrecht uit door bij volmacht te stemmen.
2. Deze beperking geldt niet:
a. voor hen die op de dag van de stemming een zodanige feitelijke bewegingsvrijheid genieten dat zij in persoon aan de stemming kunnen deelnemen;
b. voor hen die op grond van het regime van de inrichting waarin zij verblijven aanspraak hebben op periodiek verlof.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende het stemmen bij volmacht door de in het eerste lid bedoelde personen.
Afdeling II De verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten, van de algemene besturen, van de gemeenteraden en van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn – Hoofdstuk C De zittingsduur van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten, van de algemene besturen en van de gemeenteraden
1. De leden van de Tweede Kamer worden gekozen voor vier jaren.
2. Zij treden tegelijk af op de woensdag op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip in de periode van 29 maart tot en met 4 april.
1. De leden van de Tweede Kamer, gekozen na ontbinding van de kamer, treden tegelijk af op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip op de eerstvolgende woensdag in de in artikel C 1, tweede lid, bedoelde periode nadat vier jaren zijn verstreken sedert de zitting van het centraal stembureau waarin de uitslag van de verkiezing is bekendgemaakt.
2. Indien deze vier jaren eindigen in een periode, aanvangend met het in artikel C 1, tweede lid, bedoelde tijdstip en op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip eindigend op de woensdag in de periode van 25 tot en met 31 mei, treden zij af met ingang van de eerstvolgende woensdag in de in dat lid bedoelde periode nadat drie jaren zijn verstreken sedert de zitting van het centraal stembureau.
1. Indien het in artikel C 1, tweede lid, of in artikel C 2 bepaalde tijdstip valt in een jaar waarin de verkiezingen van de leden van provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad worden gehouden, treden de leden van de Tweede Kamer tegelijk af op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip op de woensdag in de periode van 25 tot en met 31 mei.
2. De leden van de Tweede Kamer die zijn gekozen ter vervulling van de plaatsen van leden die op het in het eerste lid genoemde tijdstip zijn afgetreden, treden, tenzij zich opnieuw het geval als bedoeld in het eerste lid voordoet, tegelijk af op een door de Voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip op de eerstvolgende woensdag in de in artikel C 1, tweede lid, bedoelde periode nadat drie jaren zijn verstreken sedert de zitting van het centraal stembureau waarin de uitslag van de verkiezing is bekendgemaakt.
1. De leden van provinciale staten, de algemene besturen, onderscheidenlijk gemeenteraden worden gekozen voor vier jaren.
2. Zij treden tegelijk af met ingang van de woensdag in de periode van 29 maart tot en met 4 april.
Degene die ter vervulling van een opengevallen plaats tot lid is benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.
Afdeling II De verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten, van de algemene besturen, van de gemeenteraden en van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn – Hoofdstuk D De registratie van de kiesgerechtigdheid
Burgemeester en wethouders registreren de kiesgerechtigdheid van de ingezetenen van de gemeente.
Burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage dragen zorg voor een registratie van personen die hun werkelijke woonplaats buiten Nederland hebben en aan wie kiesrecht toekomt op grond van artikel B 1 en die niet zijn uitgesloten van het kiesrecht op grond van artikel B 5.
1. Registratie van een persoon als bedoeld in artikel D 2 gebeurt op aanvraag, onverminderd artikel D 6, tweede en derde lid. Een aanvraag van een persoon die de leeftijd van zeventien jaar heeft, wordt in behandeling genomen ten behoeve van een registratie met ingang van de vierenveertigste dag voor het bereiken van de achttienjarige leeftijd.
2. Een aanvraag dient uiterlijk op de tweeënveertigste dag voor de dag van de stemming te zijn ontvangen. De aanvragen die zijn ontvangen na die dag worden voor de daaropvolgende verkiezing in behandeling genomen.
3. In afwijking van het tweede lid, eerste zin, dient een aanvraag om een registratie te wijzigen uiterlijk op de drieënzestigste dag voor de dag van de stemming te zijn ontvangen.
4. Voor het indienen van een aanvraag wordt een formulier gebruikt. Bij ministeriële regeling wordt voor de formulieren een model vastgesteld.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke gegevens en bescheiden een registratie als bedoeld in artikel D 2 bestaat.
Burgemeester en wethouders respectievelijk burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage delen een persoon op zijn verzoek onverwijld mee of hij als kiezer is geregistreerd. Indien hij niet als kiezer is geregistreerd, worden hem uiterlijk op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen moment de redenen daarvan meegedeeld.
1. In aanvulling op artikel 16 van de Algemene verordening gegevensbescherming kan een registratie worden gewijzigd:
a. wat betreft een registratie als bedoeld in artikel D 1, indien de persoon niet als kiezer is geregistreerd, op aanvraag; en
b. wat betreft een registratie als bedoeld in artikel D 2, voor zover niet op aanvraag, ambtshalve overeenkomstig het tweede en derde lid.
2. Burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage verwerken in de registratie gegevens van een persoon die voortvloeien uit een wijziging van zijn gegevens in de basisregistratie personen.
3. Burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage verwijderen een persoon uit de registratie indien aan hen omstandigheden bekend worden op grond waarvan de persoon niet als kiezer behoort te zijn geregistreerd.
1. Op een aanvraag als bedoeld in dit hoofdstuk of ter uitoefening van het recht op rectificatie, bedoeld in artikel 16 van de Algemene verordening gegevensbescherming, ten aanzien van een registratie als bedoeld in artikel D 1 of D 2, wordt uiterlijk op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen moment beslist.
2. Ambtshalve wijzigingen als bedoeld in artikel D 6 worden gelijkgesteld met een beschikking.
1. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op beschikkingen als bedoeld in dit hoofdstuk.
2. In afwijking van artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee weken. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan een kortere termijn stellen.
3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt de zaak met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Afdeling 8.2.4 blijft buiten toepassing. Aan burgemeester en wethouders wordt terstond een afschrift van het beroepschrift gezonden.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de registratie van de kiesgerechtigdheid, onder meer over:
a. de indiening van een aanvraag, de beslissing op een aanvraag en de verstrekking van formulieren, bedoeld in artikel D 3; en
b. ambtshalve wijzigingen als bedoeld in artikel D 6.
Artikel 18 van de Algemene verordening gegevensbescherming is niet van toepassing op verwerking van persoonsgegevens op grond van artikel D 1.
Afdeling II De verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten, van de algemene besturen, van de gemeenteraden en van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn – Hoofdstuk E Kieskringen en stembureaus – § 1 De kieskringen
1. Voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer wordt Nederland verdeeld in kieskringen, overeenkomstig de bij deze wet gevoegde tabel.
2. De kieskringen voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, voor zover gelegen in het Europese deel van Nederland, vormen tevens de kieskringen voor de verkiezing van de leden van provinciale staten. Provinciale staten kunnen voor de verkiezing van de leden van provinciale staten deze kieskringen in meer kieskringen verdelen en wijzen daarbij de gemeenten aan waar een hoofdstembureau wordt gevestigd.
3. Voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur vormt elk waterschap één kieskring.
4. Voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad vormt elke gemeente één kieskring.
Afdeling II De verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten, van de algemene besturen, van de gemeenteraden en van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn – Hoofdstuk E Kieskringen en stembureaus – § 2 De stembureaus en briefstembureaus
1. Burgemeester en wethouders stellen één of meer stembureaus in de gemeente in. Ieder stembureau heeft een nummer.
2. De stembureaus voor de verkiezing van de leden van provinciale staten zijn tevens de stembureaus voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur.
3. Een stembureau bestaat uit een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen aantal leden, van wie er één voorzitter is.
1. Burgemeester en wethouders benoemen tijdig voor elke verkiezing de leden van elk stembureau en een voldoend aantal plaatsvervangende leden.
2. Als lid of plaatsvervangend lid van het stembureau kan worden benoemd degene die op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en, na het volgen van een training, naar het oordeel van burgemeester en wethouders over voldoende kennis en vaardigheden beschikt op het terrein van het verkiezingsproces, met uitzondering van degene:
a. die op de dag van de kandidaatstelling bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het kiesrecht is ontzet;
b. die lid of plaatsvervangend lid is van het gemeentelijk stembureau, hoofdstembureau of centraal stembureau voor de desbetreffende verkiezing;
c. die als lid van een stembureau bij een vorige verkiezing heeft gehandeld of een handeling heeft nagelaten in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
d. die kandidaat is voor de verkiezing in de betreffende kieskring;
e. die gekozen lid is van het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing wordt gehouden.
3. Het lidmaatschap van het stembureau eindigt van rechtswege nadat over de toelating van de gekozenen is beslist.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de training, waaronder regels over een toets. Hierbij kan worden bepaald dat uitsluitend degenen die de toets met goed gevolg hebben afgelegd als lid of plaatsvervangend lid van het stembureau kunnen worden benoemd.
1. Burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage stellen voor elke verkiezing van de leden van de Tweede Kamer een briefstembureau in de gemeente in.
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt bij de Vertegenwoordiging van Nederland in Aruba, Curaçao en Sint Maarten voor elke verkiezing van de leden van de Tweede Kamer een briefstembureau in.
3. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan, in overeenstemming met burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente, voor elke verkiezing van de leden van de Tweede Kamer een gemeente aanwijzen waar door burgemeester en wethouders ook een briefstembureau wordt ingesteld.
4. Een briefstembureau bestaat uit een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen aantal leden, van wie er één voorzitter is.
1. Burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage respectievelijk Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties respectievelijk burgemeester en wethouders van de aangewezen gemeente benoemen tijdig voor elke verkiezing van de leden van de Tweede Kamer de leden van het briefstembureau en een voldoend aantal plaatsvervangende leden.
2. Artikel E 4, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. in het tweede lid in plaats van onderdeel b wordt gelezen: die lid of plaatsvervangend lid is van het nationaal briefstembureau of centraal stembureau voor de desbetreffende verkiezing.
b. de bevoegdheden van burgemeester en wethouders ten aanzien van een briefstembureau als bedoeld in artikel E 5, tweede lid, toekomen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Afdeling II De verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten, van de algemene besturen, van de gemeenteraden en van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn – Hoofdstuk E Kieskringen en stembureaus – § 3 De gemeentelijk stembureaus
1. Burgemeester en wethouders stellen voor elke verkiezing een gemeentelijk stembureau in.
2. In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders bij de gecombineerde stemming voor de verkiezing van de leden van provinciale staten en de leden van een algemeen bestuur, een of meer gemeentelijk stembureaus instellen die de stemopneming voor een of meer verkiezingen verrichten.
3. De gemeenteraad kan bepalen dat een gemeentelijk stembureau dat ten behoeve van een verkiezing op basis van deze wet is ingesteld, tevens functioneert als gemeentelijk stembureau voor een andere, door de gemeenteraad uitgeschreven, stemming.
4. Een gemeentelijk stembureau bestaat uit een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen aantal leden, van wie er één voorzitter is en ten minste één plaatsvervangend voorzitter.
1. Burgemeester en wethouders benoemen tijdig voor elke verkiezing de leden van het gemeentelijk stembureau en een voldoend aantal plaatsvervangende leden.
2. Artikel E 4, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het tweede lid in plaats van onderdeel b wordt gelezen: die lid of plaatsvervangend lid is van het stembureau, hoofdstembureau of centraal stembureau voor de desbetreffende verkiezing.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de samenstelling en werkwijze van het gemeentelijk stembureau.
Afdeling II De verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten, van de algemene besturen, van de gemeenteraden en van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn – Hoofdstuk E Kieskringen en stembureaus – § 4 De hoofdstembureaus en het nationaal briefstembureau
1. Voor elke verkiezing van de leden van de Tweede Kamer wordt door burgemeester en wethouders van de gemeente, daartoe aangewezen in de tabel behorend bij artikel E 1, eerste lid, een hoofdstembureau ingesteld.
2. Het hoofdstembureau bestaat uit vijf leden, van wie er één voorzitter en één plaatsvervangend voorzitter is.
1. Voor elke verkiezing van de leden van provinciale staten in een provincie die in meerdere kieskringen is verdeeld, wordt door burgemeester en wethouders van de gemeente, daartoe aangewezen door provinciale staten, een hoofdstembureau ingesteld.
2. Het hoofdstembureau bestaat uit vijf leden, van wie er één voorzitter en één plaatsvervangend voorzitter is.
1. De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en de andere leden van het hoofdstembureau, alsmede ten minste drie plaatsvervangende leden, worden tijdig voor elke verkiezing door burgemeester en wethouders benoemd.
2. Als lid of plaatsvervangend lid van het hoofdstembureau kan worden benoemd degene die op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, met uitzondering van degene:
a. die op de dag van de kandidaatstelling bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het kiesrecht is ontzet;
b. die lid of plaatsvervangend lid is van het stembureau, gemeentelijk stembureau of centraal stembureau voor de desbetreffende verkiezing;
c. die als lid van een hoofdstembureau bij een vorige verkiezing heeft gehandeld of een handeling heeft nagelaten in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
d. die zich kandidaat heeft gesteld voor de desbetreffende verkiezing;
e. die gekozen lid is van het vertegenwoordigend orgaan waarvoor de verkiezing wordt gehouden.
3. Artikel E 4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1. Burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage stellen voor elke verkiezing van de leden van de Tweede Kamer een nationaal briefstembureau in.
2. Het nationaal briefstembureau bestaat uit vijf leden, van wie er één voorzitter en één plaatsvervangend voorzitter is.
3. De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en de andere leden, alsmede ten minste drie plaatsvervangende leden, worden tijdig voor de verkiezing benoemd door burgemeester en wethouders.
4. Artikel E 4, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het tweede lid in plaats van onderdeel b wordt gelezen: die lid of plaatsvervangend lid is van het briefstembureau of centraal stembureau voor de desbetreffende verkiezing.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de samenstelling en werkwijze van het hoofdstembureau en het nationaal briefstembureau.
Afdeling II De verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten, van de algemene besturen, van de gemeenteraden en van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn – Hoofdstuk E Kieskringen en stembureaus – § 5 De centraal stembureaus
Er is voor de verkiezing van elk vertegenwoordigend orgaan een centraal stembureau.
Voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal treedt de Kiesraad als centraal stembureau op.
1. Voor de verkiezing van de leden van provinciale staten is het centraal stembureau gevestigd in de gemeente waar de vergadering van de staten wordt gehouden.
2. Het centraal stembureau bestaat uit vijf leden, van wie er één voorzitter en één plaatsvervangend voorzitter is.
3. Voorzitter is de burgemeester van de gemeente waar het centraal stembureau is gevestigd. De plaatsvervangend voorzitter en de andere leden, alsmede ten minste drie plaatsvervangende leden, worden benoemd en ontslagen door gedeputeerde staten.
1. Voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur is het centraal stembureau gevestigd in een gemeente binnen het waterschap, daartoe aangewezen door het vertegenwoordigend orgaan van het waterschap.
2. Het centraal stembureau bestaat uit vijf leden, van wie er één voorzitter en één plaatsvervangend voorzitter is.
3. De voorzitter van het waterschap is voorzitter van het centraal stembureau. De plaatsvervangend voorzitter en de andere leden, alsmede ten minste drie plaatsvervangende leden, worden benoemd en ontslagen door het dagelijks bestuur.
1. Voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad bestaat het centraal stembureau uit drie of vijf leden, van wie er één voorzitter en één plaatsvervangend voorzitter is.
2. De burgemeester is voorzitter van het centraal stembureau. De plaatsvervangend voorzitter en de andere leden, alsmede ten minste drie plaatsvervangende leden, worden benoemd en ontslagen door burgemeester en wethouders.
1. Als lid of plaatsvervangend lid van het centraal stembureau, niet zijnde de Kiesraad, kan worden benoemd degene die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, met uitzondering van degene, bedoeld in artikel E 4, tweede lid, onderdelen a en c tot en met e.
2. De in de artikelen E 17, E 18 en E 19 bedoelde benoemingen geschieden voor vier kalenderjaren. Degene die ter vervulling van een opengevallen plaats is benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.
1. Voor het houden van de zittingen van het centraal stembureau, bedoeld in de artikelen E 17 en E 19, wijzen burgemeester en wethouders een geschikte ruimte aan.
2. Voor het houden van de zittingen van het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur wijst het dagelijks bestuur een geschikte ruimte aan.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de samenstelling en werkwijze van centraal stembureaus, niet zijnde de Kiesraad.
Afdeling II De verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten, van de algemene besturen, van de gemeenteraden en van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn – Hoofdstuk Ea Digitale ondersteuning in het verkiezingsproces
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
uitslagprogrammatuur: a. programmatuur die het gemeentelijk stembureau gebruikt ten behoeve van de vaststelling van de aantallen, bedoeld in artikel Na 26; b. programmatuur die het hoofdstembureau gebruikt ten behoeve van de vaststelling van de aantallen, bedoeld in artikel O 5; c. programmatuur die het nationaal briefstembureau gebruikt voor de vaststelling van de aantallen, bedoeld in artikel O 16; en d. programmatuur die het centraal stembureau gebruikt ten behoeve van de vaststelling van de uitslag van de verkiezing en de vaststelling van de aantallen, bedoeld in artikel P 20, eerste lid;
gebruiker: het gemeentelijk stembureau, het nationaal briefstembureau, het hoofdstembureau of het centraal stembureau;
aansluitvoorschriften: de aansluitvoorschriften, bedoeld in artikel Ea 4, eerste lid, aanhef en onder a;
gebruiksvoorschriften: de gebruiksvoorschriften, bedoeld in artikel Ea 4, eerste lid, aanhef en onder b;
burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders die het gemeentelijk stembureau hebben ingesteld, burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage die het nationaal briefstembureau hebben ingesteld, burgemeester en wethouders van de gemeente waar het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad, onderscheidenlijk provinciale staten is gevestigd;
dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het waterschap waarvoor het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur is ingesteld.
1. De Kiesraad draagt overeenkomstig de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen zorg voor de beschikbaarstelling, instandhouding, betrouwbare werking en beveiliging van de uitslagprogrammatuur.
2. De Kiesraad stelt bij elke verkiezing de uitslagprogrammatuur ter beschikking aan de gebruiker, mits vooraf een toets als bedoeld in artikel Ea 5, eerste lid, heeft plaatsgevonden.
3. Als de uitslagprogrammatuur gebruik maakt van centrale voorzieningen, richt de Kiesraad deze in en treft de Kiesraad centrale maatregelen, met het oog op de betrouwbare werking en beveiliging van de uitslagprogrammatuur.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het ter beschikking stellen van de uitslagprogrammatuur aan de gebruiker.
1. Onverminderd de artikelen Ea 3, vierde lid, en Ea 5, vierde lid, maakt de Kiesraad, met het oog op transparantie van de uitslagprogrammatuur, voorafgaand aan elke verkiezing op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar:
a. gegevens, waaronder in ieder geval technische gegevens, met betrekking tot de uitslagprogrammatuur die bij die verkiezing wordt gebruikt, en
b. indien de situatie, bedoeld in artikel Ea 2, derde lid, zich voordoet: een beschrijving van de in dat artikel bedoelde centrale voorzieningen en maatregelen van de Kiesraad.
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken, voor zover zwaarwegende redenen met betrekking tot de beveiliging van de uitslagprogrammatuur of de centrale voorzieningen en maatregelen zich tegen openbaarmaking verzetten.
3. De Kiesraad stelt voor de uitslagprogrammatuur een specificatie op, die duidelijk maakt op welke wijze in de uitslagprogrammatuur de voor de berekening en vaststelling van de uitslag van de verkiezing relevante bepalingen van hoofdstuk P worden toegepast.
4. De Kiesraad laat de specificatie toetsen door een deskundige en onafhankelijke instantie, en maakt de specificatie en de uitkomst van de toets op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar.
5. De uitslagprogrammatuur bevat de functionaliteiten die overeenkomstig de specificatie, bedoeld in het derde lid, nodig zijn voor de berekening en vaststelling van de uitslag van de verkiezingen.
6. Het ontwerp van de uitslagprogrammatuur is erop gericht om toevallig of opzettelijk foutief gebruik daarvan te voorkomen.
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
a. de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a, en de wijze van openbaarmaking van die gegevens en van de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder b,
b. de werking, het ontwerp, de betrouwbaarheid en de beveiliging van de uitslagprogrammatuur, en
c. de inrichting, de werking, de betrouwbaarheid en de beveiliging van de in artikel Ea 2, derde lid bedoelde centrale voorzieningen en de eisen met betrekking tot de in dat artikellid bedoelde maatregelen.
1. De Kiesraad stelt met het oog op de betrouwbare werking en de beveiliging van de uitslagprogrammatuur voor elke verkiezing bij regeling vast:
a. aansluitvoorschriften inzake de decentrale voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel Ea 6, eerste lid, voor het gebruik van de uitslagprogrammatuur;
b. gebruiksvoorschriften inzake het gebruik van de uitslagprogrammatuur.
2. De aansluitvoorschriften en gebruiksvoorschriften dragen bij aan het veilig en betrouwbaar gebruik van de uitslagprogrammatuur.
3. Voorafgaand aan de vaststelling van de aansluitvoorschriften en gebruiksvoorschriften worden een instantie die representatief kan worden geacht voor de colleges van burgemeester en wethouders en een instantie die representatief kan worden geacht voor de dagelijks besturen geconsulteerd.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de onderwerpen waarop de aansluitvoorschriften en gebruiksvoorschriften betrekking kunnen hebben en het moment van vaststelling van de aansluitvoorschriften en gebruiksvoorschriften.
1. Voordat de Kiesraad uitslagprogrammatuur bij een verkiezing ter beschikking stelt, is door een door de Kiesraad aan te wijzen deskundige en onafhankelijke instantie getoetst dat:
a. de uitslagprogrammatuur voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel Ea 3, vijfde en zesde lid en het zevende lid van dat artikel, aanhef en onder b,
b. de in artikel Ea 2, derde lid, bedoelde centrale voorzieningen en maatregelen van de Kiesraad voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedoeld in artikel Ea 3, zevende lid, aanhef en onder c, en
c. de aansluitvoorschriften en de gebruiksvoorschriften voldoen aan het vereiste, gesteld in artikel Ea 4, tweede lid, en de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedoeld in artikel Ea 4, vierde lid.
2. Indien de Kiesraad na het afronden van de toets, bedoeld in het eerste lid, wijzigingen van ondergeschikte aard aanbrengt in de uitslagprogrammatuur, de centrale voorzieningen en maatregelen van de Kiesraad, de aansluitvoorschriften of de gebruiksvoorschriften, behoeft geen hernieuwde toets plaats te vinden voordat hij de uitslagprogrammatuur aan de gebruiker ter beschikking stelt, mits deze wijzigingen in ieder geval geen betrekking hebben op:
a. de wijze waarop in de uitslagprogrammatuur hoofdstuk P wordt toegepast om de zetels aan de lijsten en aan de kandidaten toe te wijzen;
b. onderdelen die de beveiliging van de uitslagprogrammatuur ten doel hebben.
3. Indien naar aanleiding van een aanbeveling uit de toets, bedoeld in het eerste lid, een niet-ondergeschikte wijziging in de uitslagprogrammatuur, de centrale voorzieningen en maatregelen, de aansluitvoorschriften of de gebruiksvoorschriften wordt doorgevoerd, wordt het onderdeel waarop de wijziging van toepassing is nogmaals getoetst door de instantie, bedoeld in het eerste lid.
4. De Kiesraad maakt op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar:
a. de uitkomst van de toets, bedoeld in het eerste en derde lid, en
b. indien van toepassing, gegevens met betrekking tot ondergeschikte wijzigingen als bedoeld in het tweede lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de openbaarmaking, bedoeld in het vierde lid.
1. Burgemeester en wethouders stellen bij elke verkiezing de gebruiker, niet zijnde de Kiesraad in zijn functie als centraal stembureau, in staat om op een betrouwbare en veilige wijze de uitslagprogrammatuur te kunnen gebruiken. Daartoe richten zij decentrale voorzieningen in en treffen decentrale maatregelen, en dragen er zorg voor dat deze decentrale voorzieningen en maatregelen aan de aansluitvoorschriften voldoen.
2. Burgemeester en wethouders onderzoeken uiterlijk op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip voor de dag van stemming of de decentrale voorzieningen en maatregelen aan de aansluitvoorschriften voldoen en stellen een verklaring op over de uitkomsten van dit onderzoek. De Kiesraad stelt bij regeling een model voor deze verklaring vast. Burgemeester en wethouders maken deze verklaring onverwijld op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar. Zij verstrekken deze verklaring tevens onverwijld aan de Kiesraad.
3. Burgemeester en wethouders onderbreken al dan niet tijdelijk het gebruik van de uitslagprogrammatuur door een gebruiker, niet zijnde de Kiesraad in zijn functie als centraal stembureau, indien zij constateren dat de decentrale voorzieningen of maatregelen niet langer aan de aansluitvoorschriften voldoen. Zodra burgemeester en wethouders vaststellen dat de decentrale voorzieningen en maatregelen opnieuw aan de aansluitvoorschriften voldoen, stellen zij de betrokken gebruiker opnieuw in staat om de uitslagprogrammatuur te gebruiken.
4. Burgemeester en wethouders stellen de Kiesraad onverwijld in kennis van een onderbreken en van een opnieuw in staat stellen van het gebruik van de uitslagprogrammatuur als bedoeld in het derde lid.
5. Indien het college van burgemeester en wethouders het gebruik van de uitslagprogrammatuur onderbreekt, als bedoeld in het derde lid, neemt het maatregelen om het gebruik zo spoedig als mogelijk te kunnen hervatten.
6. Indien het na onderbreking van het gebruik van de uitslagprogrammatuur, op grond van het derde lid, niet mogelijk is om het gebruik binnen afzienbare tijd te hervatten, neemt het college van burgemeester en wethouders contact op met de Kiesraad.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op:
a. de Kiesraad, die zichzelf in zijn functie als centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, in staat stelt om op een betrouwbare en veilige wijze de uitslagprogrammatuur te kunnen gebruiken en, in de situatie bedoeld in het derde lid, zijn gebruik van de uitslagprogrammatuur al dan niet tijdelijk onderbreekt. Het tweede lid, laatste volzin, het vierde lid en het zesde lid, zijn niet van toepassing.
b. het dagelijks bestuur voor wat betreft het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het onderzoek en de verklaring, bedoeld in het tweede lid.
1. De gebruiker maakt bij de vaststelling, bedoeld in de artikelen Na 26, O 5 en O 16, onderscheidenlijk P 20, eerste lid, gebruik van de door de Kiesraad ter beschikking gestelde uitslagprogrammatuur.
2. De gebruiker draagt er zorg voor dat de uitslagprogrammatuur betrouwbaar en veilig door hem wordt gebruikt. Daarbij neemt hij de gebruiksvoorschriften in acht.
1. De Kiesraad, de colleges van burgemeester en wethouders, de dagelijkse besturen en de gebruikers werken bij de uitvoering van de bij of krachtens dit hoofdstuk aan hen toegekende taken samen om tot een betrouwbaar en veilig gebruik van de uitslagprogrammatuur te komen.
2. De Kiesraad stelt ter bevordering van het betrouwbaar en veilig gebruik van de uitslagprogrammatuur een samenwerkingsprotocol vast na overleg met: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, een instantie die representatief kan worden geacht voor de colleges van burgemeester en wethouders alsmede een instantie die representatief kan worden geacht voor de dagelijks besturen.
3. In het samenwerkingsprotocol worden in ieder geval procedures vastgelegd voor gevallen waarin:
a. decentrale voorzieningen of maatregelen als bedoeld in artikel Ea 6, eerste lid, onder a, niet in overeenstemming zijn met de aansluitvoorschriften;
b. het gebruik van de uitslagprogrammatuur door de gebruiker niet in overeenstemming is met de gebruiksvoorschriften;
c. anderszins sprake is van een storing in of aantasting van de werking, betrouwbaarheid of beveiliging van de uitslagprogrammatuur, misbruik of oneigenlijk gebruik van de toegang tot de uitslagprogrammatuur, of het vermoeden of de dreiging daarvan.
4. De Kiesraad maakt het samenwerkingsprotocol in de Staatscourant bekend. Tevens maakt de Kiesraad het samenwerkingsprotocol voor de dag van de kandidaatstelling op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar.
1. De Kiesraad verstrekt burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur en de gebruiker desgevraagd en uit eigen beweging gegevens en inlichtingen over een inbreuk op de betrouwbare en veilige werking van de uitslagprogrammatuur of de dreiging of het vermoeden daarvan, voor zover dit noodzakelijk is voor het betrouwbare en veilige gebruik van de uitslagprogrammatuur.
2. Burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur en de gebruiker stellen, onderscheidenlijk stelt de Kiesraad desgevraagd en uit eigen beweging onverwijld in kennis van:
a. een misbruik of oneigenlijk gebruik van de uitslagprogrammatuur of het vermoeden daarvan;
b. een inbreuk op de beveiliging of de integriteit van de decentrale voorzieningen en maatregelen;
c. andere informatie die de Kiesraad nodig heeft om maatregelen te kunnen nemen om een inbreuk op de betrouwbare en veilige werking van de uitslagprogrammatuur te voorkomen of te beëindigen.
3. Eenieder kan schriftelijk bij de Kiesraad een onderbouwde melding maken van een vermeende of geconstateerde storing in of aantasting van de werking, betrouwbaarheid of beveiliging van de uitslagprogrammatuur of de dreiging daarvan. Onverminderd artikel Ea 12, tweede lid, aanhef en onder b, maakt de Kiesraad deze meldingen bij elke verkiezing op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de publicatie van de meldingen, bedoeld in het derde lid.
1. De Kiesraad kan burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur een beheersaanwijzing geven met betrekking tot decentrale voorzieningen en decentrale maatregelen als bedoeld in artikel Ea 6, eerste lid, indien:
a. burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur tekortschieten, respectievelijk tekortschiet in de naleving van de aansluitvoorschriften en daardoor de betrouwbare of veilige werking van de uitslagprogrammatuur in gevaar is; of
b. sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn, dat de betrouwbare of veilige werking van de uitslagprogrammatuur in gevaar is.
2. De Kiesraad kan de gebruiker een beheersaanwijzing geven met betrekking tot het gebruik van de uitslagprogrammatuur indien:
a. de gebruiker tekortschiet in de naleving van de gebruiksvoorschriften en daardoor de betrouwbare of veilige werking van de uitslagprogrammatuur in gevaar is; of
b. sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn, dat de betrouwbare of veilige werking van de uitslagprogrammatuur in gevaar is.
3. Een beheersaanwijzing is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.
4. De Kiesraad stelt in de beheersaanwijzing een termijn waarbinnen aan de aanwijzing moet zijn voldaan.
1. De Kiesraad kan het gebruik van de uitslagprogrammatuur door een gebruiker al dan niet tijdelijk onderbreken of doen onderbreken indien:
a. een beheersaanwijzing als bedoeld in artikel Ea 10 niet wordt nageleefd;
b. anderszins sprake is van een ernstige storing of aantasting van de werking, beveiliging of betrouwbaarheid van de uitslagprogrammatuur of de dreiging daarvan; of
c. anderszins sprake is van een misbruik of oneigenlijk gebruik van de toegang tot de uitslagprogrammatuur of de dreiging daarvan.
2. Onderbreking van het gebruik van de uitslagprogrammatuur op grond van het eerste lid, is een uiterst middel dat slechts kan worden ingezet indien het geven van instructies en het geven van een beheersaanwijzing niet mogelijk dan wel niet toereikend blijkt te zijn om het gesignaleerde risico voor de betrouwbare en veilige werking van de uitslagprogrammatuur weg te nemen.
3. Zodra de Kiesraad vaststelt dat de grond die aanleiding gaf tot het onderbreken van het gebruik zich niet langer voordoet, stelt hij de betrokken gebruiker opnieuw in staat of doet hij de betrokken gebruiker opnieuw in staat stellen om de uitslagprogrammatuur te gebruiken.
4. De Kiesraad stelt burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur en de gebruiker zo mogelijk voorafgaand aan een onderbreken en van het opnieuw in staat stellen van het gebruik van de uitslagprogrammatuur, doch in ieder geval onverwijld na een onderbreken of het opnieuw in staat stellen van het gebruik, in kennis hiervan.
5. Bij de kennisgeving over het onderbreken van het gebruik van de uitslagprogrammatuur, geeft de Kiesraad instructies aan het betrokken college van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur, en de betrokken gebruiker over de te nemen maatregelen om het gebruik te kunnen hervatten.
6. De Kiesraad stelt tevens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onverwijld in kennis van een onderbreken van het gebruik en van het opnieuw in staat stellen van het gebruik van de uitslagprogrammatuur.
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de gevolgen van het onderbreken of doen onderbreken van het gebruik van de uitslagprogrammatuur.
1. De Kiesraad stelt een rapportage van bevindingen op over de onregelmatigheden die door de Kiesraad zijn vastgesteld en die ertoe leiden dat de betrouwbare of veilige werking van de uitslagprogrammatuur in gevaar is geweest.
2. Burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur en de gebruiker verstrekkende Kiesraad desgevraagd en uit eigen beweging gegevens en inlichtingen die de Kiesraad nodig heeft voor de opstelling van de rapportage.
3. De Kiesraad zendt een rapportage zo spoedig mogelijk na vaststelling naar het betrokken vertegenwoordigend orgaan en maakt deze op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar.
Indien de Kiesraad bij een verkiezing geen uitslagprogrammatuur ter beschikking stelt of de Kiesraad het gebruik van de uitslagprogrammatuur onderbreekt of doet onderbreken, zijn bij de vaststelling van de uitkomst van de stemming en van de uitslag van de verkiezing door de gebruiker, de artikelen in de hoofdstukken Na, O en P voor zover die betrekking hebben op het gebruik van de uitslagprogrammatuur niet van toepassing.
Afdeling II De verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten, van de algemene besturen, van de gemeenteraden en van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn – Hoofdstuk F Het tijdstip van de kandidaatstelling
1. De kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, provinciale staten, het algemeen bestuur en de gemeenteraad vindt plaats op de maandag in de periode van 30 januari tot en met 5 februari of, in een schrikkeljaar, op de maandag in de periode van 31 januari tot en met 6 februari.
2. In het geval, bedoeld in artikel C 3, eerste lid, vindt de kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer plaats op de maandag in de periode van 28 maart tot en met 3 april.
3. Bij koninklijk besluit kan, indien zwaarwichtige redenen verband houdend met de dag van kandidaatstelling of met de dag van stemming daartoe nopen, worden bepaald dat de kandidaatstelling plaatsvindt op de maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag vóór de in het eerste onderscheidenlijk tweede lid genoemde dag. Het koninklijk besluit wordt bekendgemaakt uiterlijk zes maanden vóór de in het eerste onderscheidenlijk tweede lid genoemde dag.
In geval van ontbinding van de Tweede Kamer vindt de kandidaatstelling plaats op een bij het koninklijk besluit tot ontbinding te bepalen dag.
Afdeling II De verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten, van de algemene besturen, van de gemeenteraden en van het kiescollege voor Nederlanders die geen ingezetenen zijn – Hoofdstuk G De registratie van de aanduiding en het logo van een politieke groepering
1. Een politieke groepering die een vereniging is met volledige rechtsbevoegdheid kan aan het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer schriftelijk verzoeken de aanduiding waarmee zij voor die verkiezing op de kandidatenlijst wenst te worden vermeld, in te schrijven in een register dat door het centraal stembureau wordt bijgehouden. De verzoeken die zijn ontvangen of aangevuld als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, na de tweeënveertigste dag voor de kandidaatstelling, blijven voor de daaropvolgende verkiezing buiten behandeling.
2. Voor de in het eerste lid bedoelde registratie moet een waarborgsom van € 450 dan wel, indien het een groepering betreft die blijkens de statuten haar zetel heeft in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, een waarborgsom van USD 450 worden betaald aan de Staat. Degene die de betaling heeft verricht, ontvangt een bewijs daarvan. Na inlevering van een geldige kandidatenlijst voor de eerstkomende verkiezing na de beslissing op het verzoek wordt hem de waarborgsom teruggegeven.
3. Bij het verzoek worden overgelegd:
a. een afschrift van de notariële akte waarin de statuten van de vereniging zijn opgenomen;
b. het in het tweede lid bedoelde bewijs van betaling;
c. een verklaring van de politieke groepering, houdende aanwijzing van haar gemachtigde en plaatsvervangend gemachtigde bij het centraal stembureau, welke geldt zolang zij niet door een andere is vervangen.
4. Het centraal stembureau beschikt slechts afwijzend op het verzoek, indien:
a. de aanduiding strijdig is met de openbare orde;
b. de aanduiding geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een reeds geregistreerde aanduiding van een andere politieke groepering, of met een aanduiding waarvoor reeds eerder op grond van dit artikel een registratieverzoek is ontvangen, en daardoor verwarring te duchten is;
c. de aanduiding anderszins misleidend is voor de kiezers;
d. de aanduiding meer dan 35 letters of andere tekens bevat;
e. de aanduiding geheel of in hoofdzaak overeenstemt met die van een rechtspersoon die bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak verboden is verklaard en deswege is ontbonden;
f. het verzoek op dezelfde dag bij het centraal stembureau is ingekomen als een ander verzoek, strekkende tot inschrijving van een geheel of in hoofdzaak gelijkluidende aanduiding, tenzij dat andere verzoek reeds op een der onder a tot en met e genoemde gronden moet worden afgewezen.
5. Van de beslissing van het centraal stembureau op het verzoek wordt mededeling gedaan aan de gemachtigde en in de Staatscourant.
6. Een politieke groepering waarvan de aanduiding is ingeschreven in het register, kan schriftelijk een verzoek tot wijziging van deze aanduiding indienen bij het centraal stembureau. De laatste volzin van het eerste lid, alsmede het vierde en vijfde lid zijn op verzoeken tot wijziging van overeenkomstige toepassing.
7. Het centraal stembureau schrapt de aanduiding in het register en doet hiervan mededeling in de Staatscourant, wanneer:
a. de politieke groepering heeft opgehouden te bestaan;
b. de politieke groepering een verzoek daartoe heeft gedaan;
c. de politieke groepering als vereniging bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak verboden is verklaard en deswege is ontbonden;
d. voor de laatstgehouden verkiezing van de leden van de Tweede Kamer geen geldige kandidatenlijst is ingeleverd.
8. Op de veertigste dag voor de kandidaatstelling voor de verkiezing van de leden van provinciale staten, van het algemeen bestuur of van de gemeenteraad, doet het centraal stembureau van de door hem geregistreerde aanduidingen van politieke groeperingen, voor zover de registratie daarvan onherroepelijk is, alsmede van de namen van de gemachtigden en hun plaatsvervangers mededeling in de Staatscourant.
9. Het centraal stembureau vernietigt het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken, bedoeld in het derde lid, zodra de schrapping van de aanduiding van de politieke groepering onherroepelijk is. De verklaring, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, wordt tevens vernietigd wanneer de verklaring wordt vervangen door een andere.
1. Een politieke groepering kan aan het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer schriftelijk verzoeken haar logo bij te schrijven in het register, bedoeld in artikel G 1 van de Kieswet. De verzoeken die zijn ontvangen of aangevuld als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, na de tweeënveertigste dag voor de kandidaatstelling, blijven voor de daaropv
The text continues in the official source.
