Beta
BWBR0003954
BWBR0003954 — Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen
Beta. Legal information, not legal advice. LEGALDIGM is not a law firm. Check the official source for the current text.
Hoofdstuk I Inleidende bepalingen
1. De bepalingen van deze wet strekken tot uitvoering van richtlijnen van de Raad van de Europese Unie en andere regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen, alsmede renten daarover en bestuursrechtelijke sancties en boeten die daarmee verband houden.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde belastingen valt elke vorm van belastingen die door of namens een staat of de territoriale of bestuurlijke onderdelen van een staat, met inbegrip van de lokale overheden, worden geheven.
3. Deze wet is niet van toepassing bij het verlenen van wederzijdse bijstand op het gebied van:
a. de omzetbelasting in het kader van Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2010, L 268);
b. de accijnzen in het kader van Verordening (EU) nr. 389/2012 van de Raad van 2 mei 2012 betreffende administratieve samenwerking op het gebied van de accijnzen en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 2073/2004 (PbEU 2012, L 121).
Bij toepassing van die verordeningen zijn de artikelen 8, derde lid, en 11 van overeenkomstige toepassing.
4. Deze wet is niet van toepassing bij het verlenen van wederzijdse bijstand op het gebied van rechten bij invoer en rechten bij uitvoer met inbegrip van de belasting bij invoer, genoemd in artikel 22 van de Wet op de omzetbelasting 1968, en van accijns bij invoer, genoemd in artikel 62 van de Wet op de accijns.
1. Deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:
a. Nederland: het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk;
b. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
c. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;
d. staat: een lidstaat, een Mogendheid of een bestuurlijke eenheid waarmee in de relatie met Nederland een wederkerige regeling bestaat die voorziet in wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen, alsmede Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
e. vervallen;
f. bevoegde autoriteit: de door een staat tot het uitwisselen van inlichtingen aangewezen persoon of instantie;
g. vervallen;
h. Richtlijn 2011/16/EU: Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PbEU 2011, L 64);
i. centraal verbindingsbureau: een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat aangewezen bureau dat is belast met de primaire zorg voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de administratieve samenwerking;
j. administratief onderzoek: alle door de staten bij het vervullen van hun taken verrichte controles, onderzoeken en acties ter waarborging van de juiste toepassing van de belastingwetgeving;
k. uitwisseling van inlichtingen op verzoek: de uitwisseling van inlichtingen in antwoord op een verzoek van de verzoekende staat aan de aangezochte staat met betrekking tot een specifiek geval;
l. automatische uitwisseling: de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere staat, zonder voorafgaand verzoek, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen;
m. spontane uitwisseling: het niet-systematisch, te eniger tijd en ongevraagd verstrekken van inlichtingen aan een andere staat;
n. persoon: 1°. een natuurlijk persoon; 2°. een rechtspersoon; 3°. indien de geldende wetgeving in een staat in die mogelijkheid voorziet, een vereniging van personen die bevoegd is rechtshandelingen te verrichten, maar niet de status van rechtspersoon bezit, of 4°. een andere juridische constructie, ongeacht de aard of vorm ervan, met of zonder rechtspersoonlijkheid, die activa, met inbegrip van de daardoor gegenereerde inkomsten, bezit of beheert die aan een onder deze wet vallende belasting zijn onderworpen;
o. langs elektronische weg: door middel van elektronische apparatuur voor gegevensverwerking – met inbegrip van digitale compressie – en gegevensopslag, met gebruikmaking van kabels, radio, optische technologie of elektromagnetische middelen;
p. CCN-netwerk: het op het gemeenschappelijk communicatienetwerk (common communication network – CCN) gebaseerde gemeenschappelijk platform dat de Europese Unie heeft ontwikkeld voor het elektronische berichtenverkeer tussen autoriteiten die bevoegd zijn op het gebied van douane en belastingen;
q. Richtlijn (EU) 2015/849: Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PbEU 2015, L 141);
r. gezamenlijke audit: een administratief onderzoek dat gezamenlijk door de bevoegde autoriteiten van twee of meer lidstaten wordt uitgevoerd, en verband houdt met een of meer personen van gezamenlijk of complementair belang voor de bevoegde autoriteiten van die lidstaten;
s. gegevensinbreuk: een inbreuk op de beveiliging die leidt tot vernietiging, verlies, wijziging of elk voorval van ongepaste of ongeoorloofde inzage, openbaarmaking of gebruik van inlichtingen, met inbegrip van persoonsgegevens die worden doorgegeven, opgeslagen of anderszins verwerkt, als gevolg van opzettelijke onwettige handelingen, nalatigheid of ongevallen, waarbij geldt dat een gegevensinbreuk betrekking kan hebben op de vertrouwelijkheid, de beschikbaarheid en de integriteit van gegevens;
t. bewaarrekening: een bewaarrekening als bedoeld in bijlage I, sectie VIII, onderdeel C, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU;
u. inkomsten uit dividenden zonder bewaarneming: dividenden of andere inkomsten die in de lidstaat van de betaler als dividenden worden behandeld en die worden betaald of bijgeschreven op een andere rekening dan een bewaarrekening;
v. levensverzekeringsproducten die niet onder andere rechtsinstrumenten van de Europese Unie inzake inlichtingenuitwisseling en andere soortgelijke maatregelen vallen: verzekeringscontracten, met uitzondering van kapitaalverzekeringen die op grond van bijlage I, deel I, van Richtlijn 2011/16/EU moeten worden gerapporteerd, waarbij uitkeringen uit hoofde van de overeenkomsten verschuldigd zijn bij overlijden van een polishouder;
w. inspecteur: de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2. Wijzigingen van Richtlijn 2011/16/EU of Richtlijn (EU) 2015/849 gaan voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
1. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 2d, artikel 8, eerste lid, hoofdstuk II, afdelingen 4a en 4ab, en de daarop berustende bepalingen en artikel 10g wordt verstaan onder:
a. rapporterende financiële instelling: een Nederlandse financiële instelling, niet zijnde een niet-rapporterende financiële instelling;
b. Nederlandse financiële instelling: 1°. een in Nederland gevestigde financiële instelling, met uitzondering van niet in Nederland gelegen filialen van die instelling; 2°. een in Nederland gelegen filiaal van een niet in Nederland gevestigde financiële instelling;
c. financiële instelling: een financiële instelling als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel A, onder 3 tot en met 8, van Richtlijn 2011/16/EU;
d. niet-rapporterende financiële instelling: een niet-rapporterende financiële instelling als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel B, onder 1, onderdelen a, b, d en e, en onder 2 tot en met 9, van Richtlijn 2011/16/EU, alsmede een door Onze Minister, met inachtneming van bijlage I, deel VIII, onderdeel B, onder 1, onderdeel c, van Richtlijn 2011/16/EU als zodanig aangewezen financiële instelling die is opgenomen in de lijst, bedoeld in artikel 8, lid 7 bis, van Richtlijn 2011/16/EU;
e. financiële instelling in een deelnemend rechtsgebied: 1°. een in een deelnemend rechtsgebied gevestigde financiële instelling, met uitzondering van niet in dat rechtsgebied gelegen filialen van die instelling; 2°. een in een deelnemend rechtsgebied gelegen filiaal van een niet in dat rechtsgebied gevestigde financiële instelling;
f. deelnemend rechtsgebied: 1°. een andere lidstaat; 2°. een rechtsgebied waarmee het land Nederland een overeenkomst heeft op grond waarvan dat rechtsgebied informatie als bedoeld in de artikelen 10b en 10c zal verstrekken en dat voorkomt op een door Nederland gepubliceerde en aan de Europese Commissie toegezonden lijst; 3°. een ander rechtsgebied waarmee de Europese Unie een overeenkomst heeft op grond waarvan dat rechtsgebied informatie als bedoeld in de artikelen 10b en 10c zal verstrekken en dat voorkomt op een door de Europese Commissie gepubliceerde lijst;
g. financiële rekening: een financiële rekening als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel C, onder 1 tot en met 8, van Richtlijn 2011/16/EU, niet zijnde een uitgezonderde rekening;
h. uitgezonderde rekening: een uitgezonderde rekening als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel C, onder 17, onderdelen a tot en met f, van Richtlijn 2011/16/EU, alsmede een door Onze Minister, met inachtneming van bijlage I, deel VIII, onderdeel C, onder 17, onderdeel g, van Richtlijn 2011/16/EU als zodanig aangewezen rekening die is opgenomen in de lijst, bedoeld in artikel 8, lid 7 bis, van Richtlijn 2011/16/EU;
i. depositorekening: een depositorekening als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel C, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU;
j. vervallen;
k. lijfrenteverzekering: een lijfrenteverzekering als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel C, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU;
l. kapitaalverzekering: een kapitaalverzekering als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel C, onder 7, van Richtlijn 2011/16/EU;
m. bestaande rekening: een financiële rekening als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel C, onder 9, van Richtlijn 2011/16/EU;
n. nieuwe rekening: een financiële rekening als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel C, onder 10, van Richtlijn 2011/16/EU;
o. te rapporteren rekening: een financiële rekening die, met inachtneming van bijlage II, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU, wordt aangehouden door een rapporterende financiële instelling en die, met inachtneming van bijlage I, deel VIII, onderdeel E, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU, wordt gehouden door een of meer te rapporteren personen of door een passieve NFE met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die een te rapporteren persoon is, onderscheidenlijk zijn, mits de rekening als zodanig is aangemerkt op basis van de identificatie- en rapportagevoorschriften, bedoeld in artikel 10a;
p. te rapporteren persoon: een persoon uit een deelnemend rechtsgebied, niet zijnde: 1°. een entiteit waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op een of meer erkende effectenbeurzen; 2°. een entiteit die een gelieerde entiteit is van een entiteit als bedoeld in onderdeel 1°; 3°. een overheidsinstantie als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel B, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU; 4°. een internationale organisatie als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel B, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU; 5°. een centrale bank als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel B, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU; 6°. een financiële instelling;
q. persoon uit een deelnemend rechtsgebied: 1°. een natuurlijk persoon of een entiteit die ingezetene is van een deelnemend rechtsgebied onder de fiscale wetgeving van dat rechtsgebied; 2°. een nalatenschap van een erflater die ingezetene was van een deelnemend rechtsgebied;
r. gelieerde entiteit van een entiteit: een entiteit die tot de andere entiteit in een verhouding staat als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel E, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU;
s. uiteindelijk belanghebbenden: de uiteindelijk belanghebbenden, bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel D, onder 5, van Richtlijn 2011/16/EU;
t. niet-financiële entiteit (NFE): een entiteit, niet zijnde een financiële instelling;
u. entiteit: een entiteit als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel E, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU;
v. passieve niet-financiële entiteit (passieve NFE): 1°. een NFE die niet een actieve NFE is; 2°. een beleggingsentiteit als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel A, onder 6, onderdeel b, van Richtlijn 2011/16/EU die niet een financiële instelling in het land Nederland of in een deelnemend rechtsgebied is;
w. actieve niet-financiële entiteit (actieve NFE): een actieve NFE als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel D, onder 8, van Richtlijn 2011/16/EU;
x. rekeninghouder: een rekeninghouder als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel E, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU, met dien verstande dat onder «voor de toepassing van deze richtlijn» in dat onderdeel wordt verstaan: voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen;
y. financiële activa: financiële activa als bedoeld in bijlage I, deel VIII, onderdeel A, onder 7, van Richtlijn 2011/16/EU;
z. het land Nederland: Nederland en de BES eilanden, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel c, onder 4°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en e, wordt de vestigingsplaats van een financiële instelling bepaald met inachtneming van bijlage II, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU.
3. Een entiteit zonder fiscale woonplaats wordt, met inachtneming van bijlage II, onder 5, van Richtlijn 2011/16/EU, voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel q, behandeld als ingezetene van het rechtsgebied waar de plaats van de werkelijke leiding ervan is gelegen.
4. Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid wordt, waar direct of indirect wordt verwezen naar de bepalingen in de bijlagen I en II van Richtlijn 2011/16/EU, in de desbetreffende bepalingen, voor zover deze niet ook al op andere rechtsgebieden betrekking hebben, onder lidstaat mede verstaan andere rechtsgebieden dan de lidstaten.
5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen p en q, wordt als deelnemend rechtsgebied mede aangemerkt een rechtsgebied waarmee het land Nederland een overeenkomst heeft op grond waarvan het land Nederland de informatie, bedoeld in de artikelen 10b en 10c, aan dat rechtsgebied zal verstrekken. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen p en q, wordt in afwijking van het eerste lid, onderdeel f, niet als deelnemend rechtsgebied aangemerkt een rechtsgebied waarmee het land Nederland een overeenkomst heeft op grond waarvan dat rechtsgebied informatie als bedoeld in de artikelen 10b en 10c aan het land Nederland zal verstrekken, terwijl het land Nederland niet zodanige informatie hoeft te verstrekken aan dat rechtsgebied.
6. Voor de toepassing van de artikelen 6c, 10a, 10b, 10d, 10e, 10h, 10i, 10j, 10l, 10oa, 10ob en 10od en de daarop berustende bepalingen wordt onder een fiscaal identificatienummer mede begrepen het functionele equivalent daarvan.
7. Voor de toepassing van artikel 2d, artikel 8, eerste lid, en hoofdstuk II, afdeling 4ab, en de daarop berustende bepalingen wordt, waar direct of indirect wordt verwezen naar de bepalingen in bijlage IV van Richtlijn 2011/16/EU onder uiteindelijk begunstigden verstaan: uiteindelijk belanghebbenden.
1. Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 6d wordt verstaan onder een voorafgaande grensoverschrijdende ruling: een uitlating door of namens de inspecteur, dan wel Onze Minister, ongeacht of er effectief gebruik van wordt gemaakt, die:
a. is gedaan ten aanzien van een persoon of groep van personen die zich daarop kan, onderscheidenlijk kunnen, beroepen;
b. de interpretatie of toepassing betreft van een wettelijke bepaling ter uitvoering of handhaving van de nationale belastingwetgeving;
c. betrekking heeft op een grensoverschrijdende transactie, op de mogelijke aanwezigheid van een vaste inrichting in Nederland of in een ander rechtsgebied of op een natuurlijk persoon die op grond van een door de inspecteur dan wel Onze Minister afgegeven ruling al dan niet fiscaal ingezetene van Nederland is; en
d. eerder tot stand is gekomen dan: 1°. de grensoverschrijdende transactie; 2°. de activiteiten in Nederland of in een ander rechtsgebied op grond waarvan mogelijkerwijs sprake is van een vaste inrichting; of 3°. de indiening van een belastingaangifte voor het tijdvak waarin de grensoverschrijdende transactie of de activiteiten in Nederland of in een ander rechtsgebied hebben plaatsgevonden.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder een grensoverschrijdende transactie:
a. een transactie of reeks van transacties waarbij niet alle partijen bij de transactie of reeks van transacties hun fiscale woonplaats hebben in Nederland;
b. een transactie of reeks van transacties waarbij een of meer van de partijen bij de transactie of reeks van transacties hun fiscale woonplaats tegelijkertijd in Nederland en in een ander rechtsgebied hebben;
c. een transactie of reeks van transacties waarbij een van de partijen bij de transactie of reeks van transacties met een fiscale woonplaats in Nederland haar bedrijf uitoefent via een vaste inrichting in een ander rechtsgebied dan Nederland en de transactie of reeks van transacties alle of een deel van de activiteiten van de vaste inrichting uitmaakt, onderscheidenlijk uitmaken, waaronder tevens begrepen de regelingen die worden getroffen door een persoon ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten die hij in een ander rechtsgebied via een vaste inrichting uitoefent;
d. een transactie of reeks van transacties die een grensoverschrijdend effect heeft, onderscheidenlijk hebben.
1. Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 6d wordt verstaan onder een voorafgaande verrekenprijsafspraak: een uitlating door of namens de inspecteur, dan wel Onze Minister, ongeacht of er effectief gebruik van wordt gemaakt, die:
a. is gedaan ten aanzien van een persoon of groep van personen die zich daarop kan, onderscheidenlijk kunnen, beroepen;
b. voordat grensoverschrijdende transacties tussen gelieerde lichamen hebben plaatsgevonden, een passende reeks criteria vaststelt voor de bepaling van de verrekenprijzen voor die transacties of voor de toerekening van winsten aan een vaste inrichting.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder een grensoverschrijdende transactie:
a. een transactie of reeks van transacties tussen gelieerde lichamen die niet allemaal hun fiscale woonplaats in Nederland hebben; of
b. een transactie of reeks van transacties die een grensoverschrijdend effect heeft, onderscheidenlijk hebben.
3. Lichamen zijn voor de toepassing van dit artikel gelieerde lichamen indien een lichaam, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam of indien eenzelfde persoon onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van het ene en het andere lichaam.
4. Verrekenprijzen als bedoeld in het eerste lid zijn de prijzen die een lichaam aan gelieerde lichamen in rekening brengt voor de overdracht van materiële en immateriële goederen of voor het verlenen van diensten.
1. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 8, eerste lid, hoofdstuk II, afdeling 4ab, en de daarop berustende bepalingen en artikel 11 wordt verstaan onder:
a. grensoverschrijdende constructie: een constructie als bedoeld in artikel 3, achttiende lid, van Richtlijn 2011/16/EU;
b. meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie: een grensoverschrijdende constructie als bedoeld in artikel 3, negentiende lid, van Richtlijn 2011/16/EU;
c. wezenskenmerk: een eigenschap of kenmerk van een grensoverschrijdende constructie die geldt als een indicatie van een mogelijk risico op belastingontwijking als bedoeld in bijlage IV van Richtlijn 2011/16/EU;
d. intermediair: een persoon als bedoeld in artikel 3, eenentwintigste lid, van Richtlijn 2011/16/EU;
e. relevante belastingplichtige: een persoon als bedoeld in artikel 3, tweeëntwintigste lid, van Richtlijn 2011/16/EU;
f. verbonden onderneming: een persoon die gelieerd is aan een andere persoon als bedoeld in artikel 3, drieëntwintigste lid, van Richtlijn 2011/16/EU;
g. marktklare constructie: een grensoverschrijdende constructie als bedoeld in artikel 3, vierentwintigste lid, van Richtlijn 2011/16/EU;
h. constructie op maat: een grensoverschrijdende constructie als bedoeld in artikel 3, vijfentwintigste lid, van Richtlijn 2011/16/EU;
i. cliënt: een persoon als bedoeld in artikel 3, onder 31, van Richtlijn 2011/16/EU.
2. Voor zover voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, de main benefit test, bedoeld in bijlage IV, deel I, van Richtlijn 2011/16/EU, toepassing vindt, wordt aan die test voldaan indien kan worden aangetoond dat het belangrijkste voordeel dat of een van de belangrijkste voordelen die, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden, redelijkerwijs te verwachten valt van een constructie het verkrijgen van een belastingvoordeel is.
Voor de toepassing van dit artikel, artikel 6g, artikel 8, eerste lid, hoofdstuk II, afdeling 4ac, en de daarop berustende bepalingen en artikel 11 wordt verstaan onder:
a. platform: een platform als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU;
b. platformexploitant: een entiteit als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU;
c. uitgesloten platformexploitant: een platformexploitant als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU;
d. rapporterende platformexploitant: een platformexploitant als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU;
e. gekwalificeerde platformexploitant buiten de Unie: een platformexploitant als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 5, van Richtlijn 2011/16/EU;
f. gekwalificeerd niet-Unierechtsgebied: een niet-Unierechtsgebied als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU;
g. van kracht zijnde adequate overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten: een overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat en een niet-Unierechtsgebied als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 7, van Richtlijn 2011/16/EU;
h. relevante activiteit: een activiteit als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 8, van Richtlijn 2011/16/EU;
i. gekwalificeerde relevante activiteiten: relevante activiteiten als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 9, van Richtlijn 2011/16/EU;
j. tegenprestatie: een compensatie als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 10, van Richtlijn 2011/16/EU;
k. persoonlijke dienst: een dienst als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel A, onder 11, van Richtlijn 2011/16/EU;
l. verkoper: een gebruiker van een platform als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel B, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU;
m. actieve verkoper: een verkoper als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel B, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU;
n. te rapporteren verkoper: een actieve verkoper, die geen uitgesloten verkoper is, die een ingezetene is als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van Richtlijn 2011/16/EU van een lidstaat of ingezetene is als bedoeld in deel II, paragraaf D, OESO-modelregels van een gekwalificeerd niet-Unierechtsgebied, of die een onroerend goed heeft verhuurd dat in een lidstaat of gekwalificeerd niet-Unierechtsgebied is gelegen;
o. uitgesloten verkoper: een verkoper als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel B, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU;
p. entiteit: een rechtspersoon of een juridische constructie als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 1, eerste zin, van Richtlijn 2011/16/EU;
q. gelieerde entiteit van een entiteit: een entiteit die tot de andere entiteit in een verhouding staat als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 1, tweede tot en met vierde zin, van Richtlijn 2011/16/EU;
r. overheidsinstantie: een instantie als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU;
s. btw-identificatienummer: het unieke nummer, bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU;
t. hoofdadres: het adres, bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 5, van Richtlijn 2011/16/EU;
u. rapportageperiode: het kalenderjaar, bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU;
v. eigendomslijst: alle onroerende zaken als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 7, van Richtlijn 2011/16/EU;
w. identificatiecode van de financiële rekening: het identificatienummer of referentienummer, bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 8, van Richtlijn 2011/16/EU;
x. goederen: alle materiële zaken;
y. OESO-modelregels: de modelregels zoals goedgekeurd op 29 juni 2020 met als citeertitel: «OECD (2020), Model Rules for Reporting by Platform Operators with respect to Sellers in the Sharing and Gig Economy, OECD, Paris»;
z. identificatiedienst voor rapporterende platformexploitanten: een elektronisch proces als bedoeld in bijlage V, deel I, onderdeel C, onder 10, van Richtlijn 2011/16/EU.
Voor de toepassing van dit artikel, artikel 6h, artikel 8, eerste lid, hoofdstuk II, afdeling 4aca, en de daarop berustende bepalingen, artikel 10r en artikel 11 wordt verstaan onder:
aanbieder van cryptoactivadiensten: een aanbieder van cryptoactivadiensten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder 15, van Verordening (EU) 2023/1114;
Autoriteit Financiële Markten: Stichting Autoriteit Financiële Markten;
bijkantoor: een bijkantoor als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel F, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU;
CARF: het Crypto-Asset Reporting Framework, zoals opgenomen in de publicatie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling met als citeertitel: «OECD (2023), International Standards for Automatic Exchange of Information in Tax Matters: Crypto-Asset Reporting Framework and 2023 update to the Common Reporting Standard, OECD Publishing».
cryptoactivadiensten: cryptoactivadiensten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder 16, van Verordening (EU) 2023/1114, met inbegrip van diensten en activiteiten die verband houden met staking en uitlenen van een cryptoactivum;
cryptoactivum: een cryptoactivum als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder 5, van Verordening (EU) 2023/1114;
distributed-ledger-adres: distributed-ledger-adres als bedoeld in Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie;
entiteit: een entiteit als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel F, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU;
exploitant van cryptoactiva: een aanbieder van cryptoactivadiensten als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel B, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU;
fiduciaire valuta: valuta als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel C, onder 5, van Richtlijn 2011/16/EU.
financiële activa: activa als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel E, onder 9, van Richtlijn 2011/16/EU;
financiële instelling: een instelling als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel E, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU;
gebruiker van cryptoactiva: een natuurlijke persoon of een entiteit als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel D, onder 2, van Richtlijn 2011/16/EU;
gekwalificeerd niet-Unierechtsgebied: een niet-Unierechtsgebied als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel F, onder 6, van Richtlijn 2011/16/EU;
identificatiedienst voor rapporterende aanbieders van cryptoactivadiensten: een elektronisch proces als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel F, onder 8, van Richtlijn 2011/16/EU;
instelling die deposito’s neemt: een entiteit als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel E, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU;
overdracht: een transactie als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel C, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU;
persoon van een lidstaat: een entiteit of een natuurlijke persoon als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel D, onder 8, van Richtlijn 2011/16/EU;
rapporterende aanbieder van cryptoactivadiensten: een aanbieder van cryptoactivadiensten als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel B, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU;
te rapporteren cryptoactivum: een cryptoactivum als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel A, onder 4, van Richtlijn 2011/16/EU;
te rapporteren gebruiker: 1°. te rapporteren gebruiker onder Richtlijn 2011/16/EU: een gebruiker van cryptoactiva als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel D, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU; 2°. te rapporteren gebruiker onder CARF: een gebruiker van cryptoactiva als bedoeld in deel IV, paragraaf D, van het CARF die ingezetene is als bedoeld in deel IV, paragraaf D, onder 8, van het CARF van een niet-Unierechtsgebied dat een van kracht zijnde adequate overeenkomst met Nederland heeft die voorziet in de wederkerige uitwisseling van gelijkwaardige gegevens en inlichtingen tussen Nederland en die staat;
te rapporteren persoon: 1°. te rapporteren persoon onder Richtlijn 2011/16/EU: een persoon als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel D, onder 7, van Richtlijn 2011/16/EU; 2°. te rapporteren persoon onder CARF: een persoon als bedoeld in deel IV, paragraaf D, onder 7, van het CARF die ingezetene is als bedoeld in deel IV, paragraaf D, onder 8, van het CARF van een niet-Unierechtsgebied dat een van kracht zijnde adequate overeenkomst met Nederland heeft die voorziet in de wederkerige uitwisseling van gelijkwaardige gegevens en inlichtingen tussen Nederland en die staat;
te rapporteren retailbetalingstransactie: een transactie als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel C, onder 3, van Richtlijn 2011/16/EU;
te rapporteren transactie: een transactie als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel C, onder 1, van Richtlijn 2011/16/EU;
uiteindelijk belanghebbenden: de natuurlijke personen als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel D, onder 9, van Richtlijn 2011/16/EU;
van kracht zijnde adequate overeenkomst: een overeenkomst als bedoeld in bijlage VI, deel IV, onderdeel F, onder 5, van Richtlijn 2011/16/EU;
Verordening (EU) 2023/1114: Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/1937.
Voor de toepassing van dit artikel, artikel 6i, artikel 8, eerste lid en artikel 13a wordt verstaan onder:
algemeen deel: het deel van de bijheffing-informatieaangifte dat algemene informatie bevat over de multinationale groep als geheel, met inbegrip van haar vennootschapsstructuur en een samenvatting op hoog niveau van de toepassing van Richtlijn (EU) 2022/2523, en dat overeenkomt met deel 1 van het standaardmodel;
bijheffing-informatieaangifte: de bijheffing-informatieaangifte, bedoeld in artikel 13.1, vijfde lid, van de Wet minimumbelasting 2024;
deel over rechtsgebieden: de delen van de bijheffing-informatieaangifte die informatie bevatten over de gedetailleerde toepassing van de kwalificerende inkomens-inclusiemaatregel, de kwalificerende onderbelastewinstmaatregel en de kwalificerende binnenlandse bijheffing met betrekking tot elk rechtsgebied waar de multinationale groep actief is, en die overeenkomen met de delen 2 en 3 van het standaardmodel voor de bijheffing-informatieaangifte;
lidstaat die alleen een kwalificerende binnenlandse bijheffing toepast: een lidstaat die voor het te rapporteren verslagjaar enkel een kwalificerende binnenlandse bijheffing als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet minimumbelasting 2024 heeft ingevoerd;
Richtlijn (EU) 2022/2523: Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PbEU 2022, L 328);
standaardmodel: het standaardformulier door middel waarvan de bijheffing-informatieaangifte wordt ingediend, bedoeld in artikel 13.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumbelasting 2024;
te rapporteren verslagjaar: het verslagjaar, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet minimumbelasting 2024, waarop de bijheffing-informatieaangifte betrekking heeft;
uitvoerende lidstaat: een lidstaat die in het gegeven te rapporteren verslagjaar een kwalificerende inkomens-inclusiemaatregel of een kwalificerende onderbelastewinstmaatregel als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet minimumbelasting 2024, of beide heeft toegepast.
Onze Minister wordt voor Nederland aangewezen als bevoegde autoriteit en centraal verbindingsbureau. Onze Minister is tevens verantwoordelijk voor de contacten met de Europese Commissie.
Hoofdstuk II Vormen van door Nederland te verlenen bijstand – Afdeling 1 Op verzoek verstrekken van inlichtingen
Op verzoek van de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat deelt Onze Minister alle inlichtingen die hij in zijn bezit heeft of naar aanleiding van een administratief onderzoek verkrijgt en die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en handhaving van de nationale wetgeving van de verzoekende staat met betrekking tot de heffing van belastingen die vallen onder de reikwijdte van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1, aan die bevoegde autoriteit mee.
1. Voor een verzoek als bedoeld in artikel 5 zijn de verzochte inlichtingen naar verwachting van belang indien de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat op het moment van het verzoek van oordeel is dat er overeenkomstig haar nationale wetgeving een redelijke mogelijkheid bestaat dat de verzochte inlichtingen van belang zullen zijn voor de belastingaangelegenheden van een of meerdere belastingplichtigen, bij naam geïdentificeerd of anderszins, en het verzoek gerechtvaardigd is voor de doeleinden van het onderzoek.
2. Om het verwachte belang van de verzochte inlichtingen aan te tonen, verstrekt de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat ten minste de volgende inlichtingen aan Onze Minister:
a. het fiscale doel waarvoor de informatie wordt opgevraagd; en
b. een specificering van de inlichtingen die nodig zijn voor de uitvoering of handhaving van haar nationale wetgeving.
3. Indien een verzoek als bedoeld in artikel 5 betrekking heeft op een groep belastingplichtigen die niet individueel kunnen worden geïdentificeerd, verstrekt de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat aan Onze Minister ten minste de volgende inlichtingen:
a. een gedetailleerde beschrijving van de groep;
b. een toelichting bij de van toepassing zijnde wetgeving en bij de feiten op basis waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat de belastingplichtigen in de groep die wetgeving niet hebben nageleefd;
c. een toelichting bij de manier waarop de gevraagde inlichtingen zouden bijdragen aan het bepalen van de mate waarin de belastingplichtigen in de groep aan de van toepassing zijnde wetgeving voldoen; en
d. in voorkomend geval, feiten en omstandigheden die verband houden met de betrokkenheid van een derde die actief heeft bijgedragen aan de mogelijke niet-naleving van de van toepassing zijnde wetgeving door de belastingplichtigen in de groep.
1. Bij een verzoek om inlichtingen van de bevoegde autoriteit van een lidstaat verstrekt Onze Minister de inlichtingen, bedoeld in artikel 5, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden na de datum van ontvangst van het verzoek. Indien Onze Minister niet binnen die termijn van drie maanden aan het verzoek kan voldoen, deelt hij de redenen hiervoor onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk drie maanden na ontvangst van het verzoek, mee aan de bevoegde autoriteit van een verzoekende lidstaat met vermelding van de datum waarop hij denkt aan het verzoek te kunnen voldoen, waarbij geldt dat aan het verzoek uiterlijk zes maanden na de datum van ontvangst van het verzoek dient te worden voldaan. In afwijking van de eerste en tweede zin verstrekt Onze Minister inlichtingen die reeds in zijn bezit zijn binnen twee maanden na de datum van ontvangst van het verzoek.
2. In bijzondere gevallen kunnen Onze Minister en de bevoegde autoriteit van een verzoekende lidstaat, andere dan de in het eerste lid vastgestelde termijnen overeenkomen.
3. Onze Minister bevestigt aan de bevoegde autoriteit van een verzoekende lidstaat, indien mogelijk langs elektronische weg, onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk zeven werkdagen na ontvangst, de ontvangst van een verzoek.
4. Onze Minister laat in voorkomend geval, uiterlijk een maand na ontvangst van een verzoek, aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat weten welke tekortkomingen het verzoek vertoont en welke aanvullende achtergrondinformatie hij verlangt. De in het eerste lid gestelde termijnen gaan in dit geval in op de datum waarop Onze Minister de nodige aanvullende informatie ontvangt.
5. Indien Onze Minister niet over de gevraagde inlichtingen beschikt en niet aan het verzoek kan voldoen of het verzoek om de in artikel 14 genoemde redenen afwijst, deelt hij de redenen hiervoor onmiddellijk, en in elk geval uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek, aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat mee.
Hoofdstuk II Vormen van door Nederland te verlenen bijstand – Afdeling 2 Automatisch verstrekken van inlichtingen
Onze Minister kan in overleg met een bevoegde autoriteit gevallen of groepen van gevallen aanwijzen in welke hij zonder voorafgaand verzoek inlichtingen zal verstrekken, alsmede de voorwaarden bepalen waaronder de verstrekking zal geschieden.
1. Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU de bevoegde autoriteit van elke lidstaat automatisch alle inlichtingen waarover hij ten aanzien van ingezetenen van die andere lidstaat beschikt inzake de volgende specifieke inkomsten- en vermogenscategorieën:
a. arbeidsinkomen;
b. directiehonoraria;
c. levensverzekeringsproducten die niet vallen onder andere rechtsinstrumenten van de Raad van de Europese Unie inzake de uitwisseling van inlichtingen noch onder soortgelijke voorschriften;
d. pensioenen;
e. eigendom van en inkomsten uit onroerende zaken;
f. royalty’s;
g. inkomsten uit dividenden zonder bewaarneming, met uitzondering van inkomsten uit dividenden die zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting overeenkomstig artikel 4, 5 of 6 van Richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2011, L 345).
2. Onder beschikbare inlichtingen als bedoeld in het eerste lid worden inlichtingen verstaan die zich in de belastingdossiers van Nederland bevinden en die opvraagbaar zijn overeenkomstig de procedures voor het verzamelen en verwerken van inlichtingen in Nederland.
3. Inlichtingen inzake inkomsten- en vermogenscategorieën als bedoeld in het eerste lid worden niet automatisch verstrekt voor zover een lidstaat heeft aangegeven geen inlichtingen te willen ontvangen inzake een of meer van die categorieën.
4. Onze Minister verstrekt de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, ten minste eenmaal per jaar, binnen zes maanden na het verstrijken van het belastingjaar in de loop waarvan de inlichtingen beschikbaar zijn gekomen.
1. Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU en met inachtneming van de identificatie- en rapportagevoorschriften, bedoeld in artikel 10a, de bevoegde autoriteit van elke lidstaat automatisch de gegevens en inlichtingen, bedoeld in de artikelen 10b tot en met 10f, die betrekking hebben op ingezetenen van die andere lidstaat.
2. Onze Minister verstrekt de in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen jaarlijks binnen negen maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben.
1. Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU de bevoegde autoriteit van elke lidstaat en de Europese Commissie automatisch de volgende inlichtingen over voorafgaande grensoverschrijdende rulings of voorafgaande verrekenprijsafspraken:
a. de identificatiegegevens van de relevante persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, tenzij de voorafgaande grensoverschrijdende ruling betrekking heeft op een natuurlijk persoon en overeenkomstig het derde lid wordt verstrekt, en in voorkomend geval van de groep personen waartoe deze behoort;
b. een samenvatting van de inhoud van de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak, waaronder een algemene omschrijving van de relevante zakelijke activiteiten of transacties of reeks van transacties, alsook alle andere inlichtingen die voor de bevoegde autoriteit van de lidstaat nuttig kunnen zijn bij de evaluatie van een mogelijk belastingrisico, met dien verstande dat die verstrekking niet mag leiden tot de openbaarmaking van: 1°. een commercieel, industrieel of beroepsgeheim; 2°. inlichtingen indien de openbare orde van de Nederlandse staat zich daartegen verzet;
c. de datum waarop de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak is afgegeven, gemaakt, gewijzigd of hernieuwd;
d. de aanvangsdatum van de geldigheidsperiode van de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak, indien vermeld;
e. de einddatum van de geldigheidsperiode van de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak, indien vermeld;
f. het type grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak;
g. het bedrag van de transactie of reeks van transacties waar de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak op ziet, indien dit bedrag in de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak is vermeld;
h. in het geval van een voorafgaande verrekenprijsafspraak: de beschrijving van de criteria die zijn gebruikt voor de verrekenprijsvaststelling of de verrekenprijs zelf;
i. in het geval van een voorafgaande verrekenprijsafspraak: de methode die wordt gebruikt voor de verrekenprijsvaststelling of de verrekenprijs zelf;
j. de namen van andere lidstaten, indien van toepassing, waarvoor de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of de voorafgaande verrekenprijsafspraak naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn;
k. de personen, niet zijnde natuurlijke personen, tenzij de voorafgaande grensoverschrijdende ruling betrekking heeft op een natuurlijk persoon en overeenkomstig het derde lid wordt verstrekt, in andere lidstaten, indien van toepassing, voor wie de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of de voorafgaande verrekenprijsafspraak naar alle waarschijnlijkheid van belang zal zijn en de vermelding met welke lidstaten de betrokken personen in dat geval verbonden zijn;
l. de vermelding of de verstrekte inlichtingen gebaseerd zijn op de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of de voorafgaande verrekenprijsafspraak zelf, dan wel op het verzoek, bedoeld in het vierde lid.
2. In afwijking van het eerste lid worden de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, h en k, niet aan de Europese Commissie verstrekt.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op een voorafgaande grensoverschrijdende ruling ingeval deze uitsluitend betrekking heeft op belastingzaken van een of meer natuurlijke personen, tenzij:
a. het bedrag van de transactie of reeks van transacties van de voorafgaande grensoverschrijdende ruling groter is dan € 1.500.000 of het equivalent daarvan in een andere valuta, indien dat bedrag wordt vermeld in de voorafgaande grensoverschrijdende ruling; of
b. de voorafgaande grensoverschrijdende ruling bepaalt of een persoon al dan niet fiscaal ingezetene van Nederland is.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraken met derde landen indien het verdrag uit hoofde waarvan over de voorafgaande verrekenprijsafspraken is onderhandeld, niet toestaat dat deze verrekenprijsafspraken aan derden worden vrijgegeven. Ingeval de eerste volzin toepassing vindt, worden de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, verstrekt op basis van het verzoek dat tot de bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraak heeft geleid.
5. Onze Minister verstrekt de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, onverwijld zodra de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak is afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd en:
a. ingeval de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak in het eerste halfjaar van een kalenderjaar is afgegeven, gemaakt, gewijzigd of hernieuwd: uiterlijk binnen drie maanden na afloop van dat eerste halfjaar;
b. ingeval de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak in het tweede halfjaar van een kalenderjaar is afgegeven, gemaakt, gewijzigd of hernieuwd: uiterlijk binnen drie maanden na afloop van dat kalenderjaar.
6. Het derde lid, onderdeel b, is niet van toepassing op voorafgaande grensoverschrijdende rulings inzake bronbelasting op door niet-ingezetenen genoten inkomsten als bedoeld in artikel 6b, eerste lid, onderdelen a, b en d.
1. Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU automatisch het door een rapporterende entiteit die fiscaal inwoner is van Nederland aan de inspecteur verstrekte landenrapport, bedoeld in artikel 29e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, aan de bevoegde autoriteit van elke lidstaat waarvan, blijkens de informatie in het landenrapport, een of meer groepsentiteiten van de multinationale groep van de rapporterende entiteit fiscaal inwoner zijn of waarin deze aan belasting zijn onderworpen met betrekking tot de activiteiten die via een vaste inrichting worden uitgeoefend.
2. Onze Minister verstrekt het landenrapport, bedoeld in het eerste lid, binnen vijftien maanden na de laatste dag van het verslagjaar van de multinationale groep waarop het landenrapport betrekking heeft.
3. Onze Minister stelt elke lidstaat in kennis van een bericht als bedoeld in artikel 29d, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden de begrippen groepsentiteit, multinationale groep, rapporterende entiteit en verslagjaar opgevat in de zin van artikel 29b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
1. Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU de bevoegde autoriteit van elke lidstaat automatisch de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 10h, tweede lid.
2. Onze Minister verstrekt de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, binnen een maand te rekenen vanaf het einde van het kwartaal waarin die gegevens en inlichtingen zijn verstrekt.
1. Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de te rapporteren verkoper een ingezetene is als bedoeld in bijlage V, deel II, onderdeel D, van Richtlijn 2011/16/EU en, indien de te rapporteren verkoper onroerende zaken verhuurt, in ieder geval aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de onroerende zaak is gelegen, automatisch de gegevens en inlichtingen, bedoeld in de artikelen 10j, tweede, derde, vijfde en negende lid, en 10l, derde en vijfde lid.
2. Onze Minister verstrekt de gegevens en inlichtingen uiterlijk twee maanden na het einde van de rapportageperiode waarop de op de rapporterende platformexploitant toepasselijke rapportageverplichtingen betrekking hebben.
1. Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU met betrekking tot een persoon van een lidstaat aan de bevoegde autoriteit van de betreffende lidstaat automatisch de gegevens en inlichtingen, bedoeld in de artikelen 10ob, derde, vierde en vijfde lid, en 10od, vierde en vijfde lid.
2. Onze Minister verstrekt de gegevens en inlichtingen jaarlijks binnen negen maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben.
1. Onze Minister verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU automatisch uit de bij de inspecteur ingediende bijheffing-informatieaangifte:
a. het algemene deel: aan de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat waar de uiteindelijkemoederentiteit of groepsentiteiten van de multinationale groep is of zijn gevestigd;
b. het algemene deel, met uitzondering van onderdeel 1.4: aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat die alleen een kwalificerende binnenlandse bijheffing toepast: 1°. waar groepsentiteiten van de multinationale groep zijn gevestigd; 2°. waar een joint venture of een lid van een joint venture-groep waarin de multinationale groep een belang heeft, is gevestigd indien de kwalificerende binnenlandse bijheffing wordt geheven met betrekking tot joint ventures in de lidstaat; of 3°. indien de kwalificerende binnenlandse bijheffing wordt toegepast in die lidstaat met betrekking tot een staatloze groepsentiteit of een staatloze joint venture waarin de multinationale groep een belang heeft;
c. alle delen over rechtsgebieden: aan de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat waar de uiteindelijkemoederentiteit is gevestigd;
d. een of meer delen over rechtsgebieden: aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die heffingsbevoegdheid hebben op grond van Richtlijn (EU) 2022/2523, met inbegrip van de kwalificerende binnenlandse bijheffing met betrekking tot de lidstaten waarop die delen over rechtsgebieden betrekking hebben;
e. uitsluitend het deel van de bijheffing-informatieaangifte dat informatie bevat over de toerekening van de bijheffing op grond van de kwalificerende onderbelastewinstmaatregel voor dat rechtsgebied, waarbij die informatie in overeenstemming is met een uittreksel van onderdeel 3.4.3 van het standaardmodel: aan de bevoegde autoriteiten van rechtsgebieden die een kwalificerende onderbelastewinstmaatregel met een tarief van nihil toepassen.
2. Onze Minister verstrekt de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk drie maanden na het verstrijken van de termijn voor het te rapporteren verslagjaar, dan wel, indien die termijn is verstreken zonder dat de bijheffing-informatieaangifte met betrekking tot dat verslagjaar bij de inspecteur is ingediend, uiterlijk drie maanden na de datum waarop de bijheffing-informatieaangifte bij de inspecteur is ingediend.
3. In afwijking van het tweede lid verstrekt Onze Minister:
a. met betrekking tot het eerste te rapporteren verslagjaar, dat op of na 31 december 2023 aanvangt, de op grond van het eerste lid te verstrekken gegevens en inlichtingen binnen zes maanden na het verstrijken van de termijn waarbinnen de bijheffing-informatieaangifte die betrekking heeft op het eerste te rapporteren verslagjaar moet zijn ingediend;
b. indien hij een kennisgeving als bedoeld in artikel 9 bis, eerste lid, eerste zin, van Richtlijn 2011/16/EU heeft ontvangen en hij van oordeel is dat de bijheffing-informatieaangifte moet worden gecorrigeerd, met toepassing van het eerste lid onverwijld de gegevens en inlichtingen uit de gecorrigeerde bijheffing-informatieaangifte.
Hoofdstuk II Vormen van door Nederland te verlenen bijstand – Afdeling 3 Spontaan verstrekken van inlichtingen
1. Onze Minister verstrekt de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat spontaan inlichtingen in de gevallen waarin:
a. vermoed wordt dat in de lidstaat van de bevoegde autoriteit ten onrechte een vermindering, ontheffing, teruggaaf of vrijstelling van belasting zou worden verleend dan wel heffing van belasting ten onrechte achterwege zou blijven ingeval de inlichtingen niet zouden zijn verstrekt;
b. in Nederland een vermindering, ontheffing, teruggaaf of vrijstelling van belasting is verleend die van invloed kan zijn op de belastingheffing in de lidstaat van die bevoegde autoriteit;
c. in Nederland rechtshandelingen of andere handelingen zijn verricht met het doel de heffing van belasting in de lidstaat van de bevoegde autoriteit geheel of ten dele onmogelijk te maken;
d. zulks overigens naar het oordeel van Onze Minister is geboden.
2. Onze Minister kan een bevoegde autoriteit van een andere staat uit eigen beweging inlichtingen verstrekken die voor haar van belang kunnen zijn bij de bepaling van een belastingschuld in de gevallen waarin:
a. vermoed wordt dat in de staat van de bevoegde autoriteit ten onrechte een vermindering, ontheffing, teruggaaf of vrijstelling van belasting zou worden verleend dan wel heffing van belasting ten onrechte achterwege zou blijven ingeval de inlichtingen niet zouden zijn verstrekt;
b. in Nederland een vermindering, ontheffing, teruggaaf of vrijstelling van belasting is verleend die van invloed kan zijn op de belastingheffing in de staat van die bevoegde autoriteit;
c. in Nederland rechtshandelingen of andere handelingen zijn verricht met het doel de heffing van belasting in de staat van de bevoegde autoriteit geheel of ten dele onmogelijk te maken;
d. zulks overigens naar het oordeel van Onze Minister is geboden.
Onze Minister verstrekt de in artikel 7, eerste lid, bedoelde inlichtingen zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand nadat hij de inlichtingen beschikbaar krijgt, aan de autoriteit van de andere betrokken lidstaat.
Hoofdstuk II Vormen van door Nederland te verlenen bijstand – Afdeling 4 Onderzoek in het kader van te verlenen bijstand
1. Onze Minister laat door een ambtenaar van de rijksbelastingdienst zo nodig een onderzoek instellen ten behoeve van het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in de artikelen 5, 6, 6f, 6g, 6h of 7.
2. Een onderzoek als bedoeld in het eerste lid kan ook plaatsvinden op verzoek van een bevoegde autoriteit van een verzoekende staat. Indien Onze Minister van oordeel is dat er geen administratief onderzoek nodig is, deelt hij de bevoegde autoriteit van de verzoekende lidstaat onmiddellijk de redenen daarvoor mee.
3. Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek zijn de bepalingen van Hoofdstuk VIII, afdeling 2, met uitzondering van artikel 53, tweede en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden administratieplichtigen aangewezen die gehouden zijn eigener beweging bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens en inlichtingen te verstrekken aan Onze Minister met het oog op de uitvoering van richtlijnen van de Raad van de Europese Unie of van andere regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de in de eerste volzin bedoelde gegevens en inlichtingen aan Onze Minister dienen te worden verstrekt.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden belastingplichtigen aangewezen die gehouden zijn eigener beweging bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens en inlichtingen die op henzelf betrekking hebben te verstrekken aan Onze Minister met het oog op de uitvoering van richtlijnen van de Raad van de Europese Unie of van andere regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het uiterste tijdstip en de wijze waarop de in de eerste volzin bedoelde gegevens en inlichtingen aan Onze Minister dienen te worden verstrekt.
6. Geen beroep kan worden ingesteld tegen de aankondiging van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, alsmede tegen het onderzoek zelve.
1. Onze Minister kan met de bevoegde autoriteit van één of meer andere staten overeenkomen om gelijktijdig, elk op het eigen grondgebied, bij één of meer personen ten aanzien van wie zij een gezamenlijk of complementair belang hebben, controles te verrichten en de aldus verkregen inlichtingen uit te wisselen.
2. Onze Minister bepaalt welke personen hij voor een gelijktijdige controle wil voorstellen. Hij deelt de bevoegde autoriteit van de andere betrokken staten met opgave van redenen mee welke dossiers hij voor een gelijktijdige controle voorstelt. Hij bepaalt binnen welke termijn de controles moeten plaatsvinden.
3. Onze Minister beslist of hij aan een door een andere bevoegde autoriteit voorgestelde gelijktijdige controle wenst deel te nemen. Hij stuurt die bevoegde autoriteit binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het voorstel een bevestiging van deelname of een gemotiveerde weigering.
4. Onze Minister wijst een vertegenwoordiger aan die voor Nederland wordt belast met de leiding en de coördinatie van de controle.
1. Onze Minister kan door de bevoegde autoriteit van een verzoekende staat worden verzocht, ter uitwisseling van inlichtingen in het kader van de wederzijdse bijstand, bedoeld in artikel 1, dat door de bevoegde autoriteit van die verzoekende staat gemachtigde ambtenaren overeenkomstig de door Nederland vastgestelde procedurele regelingen:
a. aanwezig zijn in de kantoren van de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, dan wel van andere ambtenaren die belast zijn met de heffing van belastingen;
b. aanwezig zijn bij onderzoeken die in Nederland worden uitgevoerd;
c. deelnemen aan onderzoeken die in Nederland worden uitgevoerd, waar passend met gebruik van elektronische communicatiemiddelen.
Indien de verlangde inlichtingen vermeld staan in bescheiden waartoe de ambtenaren, bedoeld in onderdeel a, toegang hebben, ontvangen de ambtenaren van de bevoegde autoriteit van de verzoekende staat een afschrift van die bescheiden.
2. Onze Minister reageert op een verzoek als bedoeld in het eerste lid binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van dat verzoek. Hij deelt de bevoegde autoriteit van de verzoekende staat de inwilliging van het verzoek of de gemotiveerde weigering ervan mee.
3. Indien door de bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gemachtigde ambtenaren deelnemen aan een onderzoek, al dan niet met gebruik van elektronische communicatiemiddelen, kunnen zij met inachtneming van de door Nederland vastgestelde procedurele regelingen personen ondervragen en bescheiden onderzoeken.
4. Ambtenaren uit de verzoekende staat die in Nederland aanwezig zijn, dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen overleggen waaruit hun identiteit en hun officiële hoedanigheid blijkt.
Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 8 wordt ingesteld, is verplicht de ambtenaar van de rijksbelastingdienst alsmede de ambtenaar die ingevolge artikel 9 bij dit onderzoek aanwezig is, ten behoeve van dit onderzoek toegang te verlenen.
Hoofdstuk II Vormen van door Nederland te verlenen bijstand – Afdeling 4bis Gezamenlijke audits
1. Onze Minister kan door de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten worden verzocht een gezamenlijke audit uit te voeren.
2. Onze Minister reageert op het verzoek binnen een termijn van 60 dagen na ontvangst van dat verzoek. Onze Minister kan het verzoek om gemotiveerde redenen verwerpen.
3. Een gezamenlijke audit die in Nederland plaatsvindt, wordt uitgevoerd op een vooraf door Onze Minister en de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten overeengekomen en gecoördineerde wijze, met inbegrip van taalregelingen, en in overeenstemming met de Nederlandse wetgeving en de in Nederland geldende procedures.
4. Onverminderd het derde lid:
a. kunnen de door de bevoegde autoriteit van een of meer verzoekende lidstaten gemachtigde ambtenaren, in samenspraak met de ambtenaren van de rijksbelastingdienst of andere ambtenaren die belast zijn met de heffing van belastingen, personen ondervragen en bescheiden onderzoeken;
b. wordt bewijsmateriaal dat tijdens de activiteiten van een gezamenlijke audit is verzameld, ook wat betreft de toelaatbaarheid daarvan, beoordeeld onder dezelfde juridische voorwaarden als in het geval dat de audit alleen in Nederland was uitgevoerd;
c. heeft een persoon die aan een gezamenlijke audit wordt onderworpen of erdoor wordt geraakt, dezelfde rechten en plichten als in het geval dat de audit alleen in Nederland was uitgevoerd.
5. Onze Minister
The text continues in the official source.
