LEGALDIGMLEGALDIGM
    ← Nederland
    Beta
    BWBR0002402

    BWBR0002402 — Kernenergiewet

    Beta. Legal information, not legal advice. LEGALDIGM is not a law firm. Check the official source for the current text.

    Hoofdstuk I Begripsbepalingen en werkingssfeer 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. kernenergie: energie, vrijkomend bij splijting of versmelting van atoomkernen; b. splijtstoffen: stoffen, welke ten minste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen percentage uranium, plutonium, thorium of andere daarbij aangewezen elementen bevatten; c. ertsen: ertsen die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten en waarmee handelingen worden verricht wegens hun splijt- of kweekeigenschappen; d. radioactieve stoffen: stoffen met uitzondering van splijtstoffen en ertsen, die in zodanige mate radionucliden bevatten dat zij, voorzover het de bescherming tegen ioniserende straling betreft, niet mogen worden verwaarloosd; e. ioniserende straling: röntgen- en gammastraling, alsmede corpusculaire straling, die in staat is ionenvorming te veroorzaken; f. toestel: toestel dat ioniserende straling kan uitzenden en geen radioactieve stof, splijtstof of erts bevat; g. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een beschikking; h. Autoriteit: Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, genoemd in artikel 3, eerste lid. 2. De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als in het eerste lid, onder b, bedoeld wordt Ons gedaan door Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is mede van toepassing op een verkenningsonderzoek, het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen voorzover dit plaatsvindt op het continentaal plat, bedoeld in de Mijnbouwwet. Hoofdstuk II De autoriteit nucleaire veiligheid en stralingsbescherming 1. Er is een Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming. 2. De Autoriteit vervult haar taken in onafhankelijkheid. 3. De Autoriteit heeft met betrekking tot nucleaire veiligheid en stralingsbescherming, de daarmee samenhangende crisisvoorbereiding, alsmede beveiliging en waarborgen tot taak: a. de uitvoering van de taken die haar bij of krachtens de wet zijn toegekend; b. het toezicht op de naleving van bij of krachtens deze wet gestelde regels; c. het op basis van haar specifieke kennis en deskundigheid en in samenhang met haar andere bij of krachtens de wet opgedragen taken adviseren over beleid en wet- en regelgeving; d. het geven van voorlichting; e. het deelnemen aan activiteiten van internationale organisaties; f. het samenwerken met vergelijkbare buitenlandse autoriteiten van landen in de nabijheid van inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, onder meer door het uitwisselen en delen van informatie; g. het onderhouden van relaties met andere dan de in onderdeel f bedoelde vergelijkbare buitenlandse autoriteiten en nationale en internationale organisaties; h. het met kennis ondersteunen van nationale organisaties; i. het doen en laten doen van onderzoek ten behoeve van de uitvoering van haar taken. 4. De Autoriteit heeft tot taak het deelnemen aan de omschrijving van voorschriften over nucleaire veiligheid als bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a, van Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PbEU 2009, L 172), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2014/87/Euratom van de Raad van 8 juli 2014 (PbEU 2014, L 219). 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de Autoriteit in het belang van nucleaire veiligheid, stralingsbescherming of beveiliging bij verordening regels kan stellen met betrekking tot organisatorische of technische onderwerpen. 2. De Autoriteit stelt een verordening niet vast dan nadat van het ontwerp op geschikte wijze kennis is gegeven en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen een bij die bekendmaking door de Autoriteit vast te stellen termijn van ten minste vier weken na de dag waarop de kennisgeving is gedaan, zienswijzen schriftelijk ter kennis van de Autoriteit te brengen. 1. De Autoriteit bestaat uit minimaal twee en maximaal drie leden, onder wie de voorzitter. 2. Benoeming vindt plaats op grond van deskundigheid of ervaring, die nodig is voor de uitoefening van de taken van de Autoriteit. 3. De leden worden benoemd voor een tijdvak van maximaal vier jaar en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van maximaal vier jaar herbenoembaar. In het geval van bijzondere omstandigheden binnen de organisatie van de Autoriteit kan een lid van de Autoriteit bij afloop van de tweede benoemingstermijn terstond opnieuw worden benoemd voor een tijdvak van maximaal twee jaar. 4. In het geval van een vacature vormen de overige leden, in afwijking van het eerste lid, de Autoriteit. 5. Onverminderd artikel 13, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen heeft een lid geen financiële of andere belangen waardoor zijn onpartijdigheid in het geding kan zijn. 6. Een lid kan niet tevens zijn een aan een minister ondergeschikte ambtenaar. 7. Het lidmaatschap van de Autoriteit wordt aangewezen als een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken. 1. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu benoemt, schorst en ontslaat de leden van de Autoriteit. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu doet mededeling van een besluit tot ontslag in de Staatscourant. De redenen van het ontslag worden in die mededeling openbaar gemaakt indien de betrokkene daarom verzoekt. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt de bezoldiging of schadeloosstelling van leden van de Autoriteit vast. De Autoriteit stelt procedures vast ter voorkoming of oplossing van belangenconflicten bij de uitoefening van haar taken. 1. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt voldoende financiële middelen ter beschikking aan de Autoriteit ter uitoefening van haar taken. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu neemt in zijn begroting de Autoriteit als afzonderlijke begrotingspost op en voorziet deze post van een toelichting. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt ten behoeve van de uitvoering van haar taken, voldoende en gekwalificeerd personeel ter beschikking aan de Autoriteit. Onverminderd artikel 18, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zendt de Autoriteit het jaarverslag, naast aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, tevens aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Veiligheid en Justitie. 1. Onverminderd artikel 20, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen verstrekt de Autoriteit desgevraagd naast aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu tevens aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Veiligheid en Justitie alle voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen. Zij kunnen inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is. 2. Onze Ministers kunnen gezamenlijk nadere regels vaststellen over de verstrekking van gegevens of inlichtingen van de Autoriteit aan Onze Ministers en van Onze Ministers aan de Autoriteit. In afwijking van artikel 21, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandig bestuursorganen kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geen beleidsregels vaststellen met betrekking tot de taakuitoefening door de Autoriteit. 1. De Autoriteit stelt een bestuursreglement vast. 2. Het bestuursreglement behoeft goedkeuring van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 3. Het bestuursreglement bevat alleen regels over de wijze van besluitvorming, het financiële beheer, de administratieve organisatie, vervanging van leden, vertegenwoordigingsbevoegdheid en procedures met het oog op een goede en zorgvuldige uitoefening van de taken. 4. De Autoriteit maakt het bestuursreglement na de goedkeuring bekend in de Staatscourant. 1. In afwijking van artikel 22, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een besluit van de Autoriteit uitsluitend vernietigen wegens strijd met het recht. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt beide kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van een besluit tot vernietiging van een besluit van de Autoriteit. Indien de Autoriteit haar taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu na overleg met Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport die de taakverwaarlozing aangaat of aangaan de noodzakelijke voorzieningen treffen. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt het verslag, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, op na overleg met Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Hoofdstuk III Splijtstoffen, ertsen en inrichtingen – Afdeling 1 Registratie van splijtstoffen en ertsen 1. Er is een register, waarin worden ingeschreven de gegevens van splijtstoffen, ertsen en andere stoffen waaruit splijtstoffen kunnen worden verkregen en die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten, waarvan overeenkomstig artikel 14 aangifte is gedaan. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de inrichting van het register geregeld en worden de gevallen aangewezen, waarin inlichtingen uit het register kunnen worden verstrekt. 3. De Autoriteit is belast met het beheer van het register en de verstrekking van inlichtingen daaruit. 1. Ieder, die met inachtneming van deze wet splijtstoffen of ertsen of andere stoffen waaruit splijtstoffen kunnen worden verkregen en die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten vervoert, voorhanden heeft, binnen of buiten Nederlands grondgebied brengt of doet brengen, dan wel zich daarvan ontdoet, is verplicht daaromtrent administratie te voeren en ten behoeve van de in artikel 13 bedoelde inschrijving aangifte te doen, een en ander in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en overeenkomstig bij de maatregel te stellen regelen. 2. Ieder, die de aanwezigheid van ertsen of andere stoffen waaruit splijtstoffen kunnen worden verkregen en die naar gewicht gerekend ten minste een tiende procent uranium of drie procent thorium bevatten in de bodem heeft vastgesteld, is verplicht in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en overeenkomstig bij de maatregel te stellen regelen daarvan ten behoeve van de in artikel 13 bedoelde inschrijving aangifte te doen. Hoofdstuk III Splijtstoffen, ertsen en inrichtingen – Afdeling 2 Vergunningen Het is verboden zonder vergunning van de Autoriteit: a. splijtstoffen of ertsen te vervoeren, voorhanden te hebben, binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen of te doen brengen, dan wel zich daarvan te ontdoen; b. een inrichting, waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, splijtstoffen kunnen worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, dan wel splijtstoffen worden opgeslagen, op te richten, inwerking te brengen, in werking te houden, buiten gebruik te stellen of te wijzigen of een inrichting, waarin kernenergie kon worden vrijgemaakt, splijtstoffen konden worden vervaardigd, bewerkt of verwerkt, dan wel splijtstoffen werden opgeslagen, te ontmantelen; c. een uitrusting, geschikt om een vaartuig of ander vervoermiddel door middel van kernenergie voort te bewegen, daarin aan te brengen of aangebracht te houden, dan wel zodanige daarin aangebrachte uitrusting in werking te brengen, in werking te houden of te wijzigen. 1. Met ingang van 31 december 2033 vervalt de op grond van artikel 15, onder b, verleende vergunning voor het in werking houden van de in 1973 in werking gebrachte kernenergiecentrale Borssele, voorzover het betreft het vrijmaken van kernenergie. 2. Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, voor het vrijmaken van kernenergie in de in het eerste lid genoemde inrichting na het in het eerste lid genoemde tijdstip wordt, onverminderd het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, buiten behandeling gelaten. Indien een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, voor het wijzigen van een inrichting wordt aangevraagd en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, is artikel 5.43, eerste en vierde lid, van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. De Autoriteit kan de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van artikel 18a of artikel 19 van deze wet. 1. De vergunning kan slechts worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen; b. de veiligheid van de staat; c. de bewaring en beveiliging van splijtstoffen en ertsen en de beveiliging van inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b; d. het zeker stellen van de betaling van de vergoeding, aan derden toekomende voor schade of letsel, hun toegebracht; e. de nakoming van internationale verplichtingen. 2. Onverminderd het eerste lid kan een vergunning voor het oprichten van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, worden geweigerd, indien de in de aanvraag beschreven techniek voor het vrijmaken van kernenergie, het vervaardigen, bewerken of verwerken van splijtstoffen dan wel het opslaan van splijtstoffen in de inrichting naar het oordeel van de Autoriteit bij het in werking brengen van de inrichting zal zijn verouderd. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen naast de in het eerste lid bedoelde belangen andere belangen worden aangewezen. 4. Indien Wij niet binnen drie maanden na het in werking treden van een algemene maatregel van bestuur als in het derde lid bedoeld aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal een voorstel van wet hebben doen toekomen tot wijziging van deze wet overeenkomstig die maatregel of indien zodanig voorstel wordt ingetrokken of verworpen, trekken Wij de maatregel onverwijld in. 1. In een vergunning wordt duidelijk aangegeven waarop zij betrekking heeft. De aanvraag om de vergunning maakt deel uit van de vergunning, voor zover dat in de vergunning is aangegeven. 2. Een vergunning kan ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen onder beperkingen worden verleend. 3. Aan een vergunning worden, met inachtneming van de dienaangaande bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels, de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15 b aangewezen belangen. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen van de betrokken activiteit voor mensen, dieren, planten en goederen niet kunnen worden voorkomen, worden daaraan de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. 4. Voor zover ten aanzien van de betrokken splijtstoffen, ertsen, inrichtingen of uitrustingen regels gelden krachtens artikel 21, kunnen de voorschriften daarvan alleen afwijken, voor zover dat bij die regels is toegestaan. 1. De aan een vergunning te verbinden voorschriften geven de doeleinden aan, die de vergunninghouder ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken. 2. Voor zover dit naar het oordeel van de Autoriteit noodzakelijk is, kunnen de voorschriften inhouden dat daarbij aangegeven middelen ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen moeten worden toegepast. 1. Aan een vergunning kunnen ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen andere dan de in artikel 15d bedoelde voorschriften worden verbonden. 2. Een voorschrift kan de verplichting inhouden dat met betrekking tot in het voorschrift geregelde, daarbij aangegeven onderwerpen moet worden voldaan aan nadere eisen die door een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan worden gesteld. Bij het voorschrift kan worden aangegeven hoe die eisen door het betrokken bestuursorgaan moeten worden bekendgemaakt. Bij het stellen van een nadere eis wordt het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis de verplichting ingaat. 1. De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onder b, voor het in werking brengen, in werking houden, buiten gebruik stellen of ontmantelen van een inrichting waarin kernenergie kan, onderscheidenlijk kon worden vrijgemaakt, stelt op een door Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Financiën goedgekeurde wijze financiële zekerheid ter dekking van de kosten die voortvloeien uit het buiten gebruik stellen en de ontmanteling van de inrichting. 2. De financiële zekerheid wordt in stand gehouden tot het tijdstip waarop Onze genoemde Ministers schriftelijk hebben verklaard dat de ontmanteling is voltooid. 3. De financiële zekerheid wordt gesteld in een of meer van de volgende vormen: a. een borgtocht of een bankgarantie; b. het deelnemen aan een daartoe ingesteld fonds dat naar het oordeel van Onze genoemde Ministers voldoende waarborg biedt dat de in het eerste lid bedoelde kosten zijn gedekt; c. het treffen van enige andere voorziening die naar het oordeel van Onze genoemde Ministers voldoende waarborg biedt dat de in het eerste lid bedoelde kosten zijn gedekt. 4. De aanvraag om goedkeuring vermeldt het bedrag en de termijn waarvoor en het tijdstip en de wijze waarop de zekerheid wordt gesteld. Tevens bevat de aanvraag een onderbouwing van de omvang van de te stellen financiële zekerheid. Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van bij een eerdere aanvraag verstrekte gegevens, wordt de aanvraag uiterlijk vier weken voor de wijziging ingediend. 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag om goedkeuring. 6. Aan de goedkeuring kunnen voorschriften worden verbonden. Daartoe kan in ieder geval behoren een voorschrift dat de houder van de vergunning het bedrag van de gestelde zekerheid aanpast, indien dat naar het oordeel van Onze genoemde Ministers nodig is met het oog op wijziging van bij het voorschrift aangegeven omstandigheden. 7. Onze genoemde Ministers beslissen binnen zes maanden na de ontvangst van een aanvraag om goedkeuring op die aanvraag. 8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, worden aangewezen, waarop het eerste tot en met zevende lid van overeenkomstige toepassing zijn. 9. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om goedkeuring. 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende de wijze, waarop de aanvraag om een vergunning dient te geschieden, en de gegevens, welke van de aanvrager kunnen worden verlangd. 2. Bij of krachtens de maatregel wordt in ieder geval bepaald dat de aanvrager in gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, dat tevens is aan te merken als het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit een bouwactiviteit of het in stand houden van een bouwwerk, of een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, indien de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit of het in stand houden van een bouwwerk of een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit: a. tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens deze wet zijn ingediend, een afschrift van die aanvragen bij zijn aanvraag overlegt; b. niet tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens deze wet worden ingediend, een afschrift van die aanvragen aan het bevoegd gezag overlegt gelijktijdig met de indiening van die aanvraag. 1. Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 15 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing en zijn paragraaf 16.2.2 van de Omgevingswet, artikel 5.7, vierde lid, van de Omgevingswet en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij hetgeen in de artikelen 17a tot en met 20a van deze wet is bepaald, in acht wordt genomen. 2. In afwijking van het eerste lid zijn de in dat lid genoemde onderdelen van de Algemene wet bestuursrecht, van de Omgevingswet en van de Wet milieubeheer niet van toepassing op de voorbereiding van beschikkingen op de aanvraag om een vergunning krachtens: a. artikel 15, onder a, voor het vervoeren, het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer, dan wel het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen of ertsen; b. artikel 15, onder a, voor het voorhanden hebben van splijtstoffen in een inrichting of uitrusting, ten aanzien waarvan een vergunning krachtens artikel 15, onder b of c, is vereist, dan wel voor het zich ontdoen van splijtstoffen die rechtstreeks afkomstig zijn uit een zodanige inrichting of uitrusting; c. artikel 15, onder a, voor het voorhanden hebben of zich ontdoen van splijtstoffen in gevallen als bedoeld in het derde lid; d. artikel 15, onder c, in gevallen waarin de uitrusting slechts buiten Nederland in werking zal worden gebracht of gehouden. In gevallen als bedoeld in de eerste volzin is met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet, paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning. 3. Gevallen als bedoeld in het tweede lid, onder c, zijn die gevallen: a. waarin het voorhanden hebben van splijtstoffen of het zich daarvan ontdoen geschiedt: 1°. in een voertuig of aan boord van een vaartuig of van een luchtvaartuig; 2°. op steeds wisselende plaatsen, indien die gevallen behoren tot een bij algemene maatregel van bestuur aangegeven categorie waarin het belang van de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet opweegt tegen de daaraan verbonden bezwaren; 3°. indien al eerder een overeenkomstige vergunning met betrekking tot dezelfde plaats was verleend aan de aanvrager of aan degene wiens vergunning ingevolge artikel 70 voor hem geldt en de aangevraagde vergunning niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende vergunning is toegestaan; b. waarin bij algemene maatregel van bestuur aangegeven splijtstoffen op een daarbij aan te geven wijze hetzij zijn opgenomen in vaste stoffen die geen ioniserende straling uitzenden, hetzij zijn omgeven door een omhulsel; c. behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, waarin, gezien de wijze waarop de daarbij aangegeven splijtstoffen worden toegepast, het belang van de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet opweegt tegen de daaraan verbonden bezwaren. 4. In afwijking van het eerste lid zijn de in dat lid genoemde onderdelen van de Algemene wet bestuursrecht, van de Omgevingswet en van de Wet milieubeheer niet van toepassing op de voorbereiding van beschikkingen op de aanvraag om een wijziging van een vergunning krachtens artikel 15, onder b of c: a. die niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende vergunning is toegestaan; b. waarvoor geen verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in afdeling 16.4 van de Omgevingswet; c. die niet leidt tot een wijziging van de ontwerpbedrijfsduur van de inrichting; en d. die niet leidt tot een andere inrichting dan waarvoor eerder een vergunning is verleend. Bij algemene maatregel van bestuur worden de bestuursorganen aangewezen, die - anders dan als adviseurs - bij de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag worden betrokken. Bij de maatregel kunnen bestuursorganen worden aangewezen, die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning. Het bestuursorgaan dat zorg draagt voor het beheer van het zuiveringtechnisch werk of het oppervlaktewaterlichaam waarop afvalwater vanuit een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt gebracht, is adviseur met betrekking tot een aanvraag om een vergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 15, onder b, voor zover die aanvraag betrekking heeft op het brengen van afvalwater of andere afvalstoffen in die voorziening. 1. De Autoriteit beziet regelmatig of de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van mensen, dieren, planten en goederen. 2. De Autoriteit wijzigt de beperkingen waaronder de vergunning is verleend en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, vult deze aan of trekt ze in, dan wel brengt alsnog beperkingen aan, of verbindt alsnog voorschriften aan de vergunning, voor zover blijkt dat de nadelige gevolgen die de betrokken activiteit voor mensen, dieren, planten en goederen veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming daarvan verder kunnen worden beperkt. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het eerste lid wordt toegepast met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van handelingen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. 4. Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van die beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 15b tot en met 15e van overeenkomstige toepassing. 1. De Autoriteit kan beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen. 2. Een ieder, met uitzondering van de vergunninghouder, kan de Autoriteit verzoeken een vergunning in het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen met toepassing van het eerste lid te wijzigen. 3. Op aanvraag van de vergunninghouder kan de Autoriteit beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden. 4. In een geval als bedoeld in artikel 15b, vierde lid, trekt de Autoriteit zo spoedig mogelijk nadat de betrokken algemene maatregel van bestuur is ingetrokken, de ingevolge die maatregel aan een vergunning verbonden voorschriften in. Tot het tijdstip waarop de beschikking tot intrekking van kracht wordt, blijven de voorschriften gelden. 1. Op de voorbereiding van een beschikking krachtens artikel 18a, tweede lid, of artikel 19, eerste, tweede of derde lid, is – tenzij het een geval betreft als bedoeld in artikel 17, tweede lid – afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing en zijn paragraaf 16.2.2 van de Omgevingswet, artikel 5.7, vierde lid, van de Omgevingswet en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing. 2. Indien een verzoek wordt gedaan als bedoeld in artikel 19, tweede lid, stelt de Autoriteit de houder van de betrokken vergunning daarvan in kennis. Deze wordt voor zover zijn belang dat vordert, mede als verzoeker beschouwd. 1. De Autoriteit kan de vergunning intrekken indien dat ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen noodzakelijk is. 2. Op de voorbereiding van een beschikking krachtens het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing en zijn paragraaf 16.2.2 van de Omgevingswet, artikel 5.7, vierde lid, van de Omgevingswet en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing, tenzij het een geval betreft als bedoeld in artikel 17, tweede lid. 3. De Autoriteit kan een vergunning voor het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, tevens intrekken wanneer de ontmanteling van die inrichting is voltooid. 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen regels worden gesteld met betrekking tot daartoe bij de maatregel aangewezen categorieën van splijtstoffen, ertsen, inrichtingen of uitrustingen dan wel onderdelen van inrichtingen of uitrustingen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de bij artikel 15 gestelde verboden in daarbij aangewezen categorieën van gevallen niet gelden met betrekking tot splijtstoffen, ertsen, inrichtingen of uitrustingen, behorende tot een bij die maatregel aangewezen categorie. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de buitengebruikstelling en ontmanteling van bij of krachtens die maatregel aangewezen categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b. Bij of krachtens de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. 4. Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de bij of krachtens artikel 5.34, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet gestelde regels over activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van die wet, alsmede artikel 13.5, eerste tot en met vijfde lid, van die wet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij toepassing van het tweede lid het stellen van financiële zekerheid slechts kan worden voorgeschreven in de vorm van het sluiten van een verzekering tegen aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit de nadelige gevolgen voor de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen, die de inrichting veroorzaakt. 5. Indien bij een maatregel krachtens het eerste lid tevens toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan de verplichting worden opgelegd tot het melden van de handelingen ten aanzien waarvan de bij artikel 15 gestelde verboden niet gelden. 6. De artikelen 4.4, eerste lid, 4.5 en 4.22, tweede lid, van de Omgevingswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder "Onze Minister" wordt verstaan: Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen. Hoofdstuk III Splijtstoffen, ertsen en inrichtingen – Afdeling 3 Inbezitneming van splijtstoffen en ertsen 1. Ieder, die zonder daartoe bevoegd te zijn splijtstoffen of ertsen, dan wel stoffen, waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden, dat het splijtstoffen of ertsen zijn, onder zich heeft of krijgt, is verplicht daarvan terstond aangifte te doen bij de Autoriteit. 2. De Autoriteit geeft van de gedane aangifte kennis aan de burgemeester van de gemeente, waar die goederen zich bevinden. 3. De Autoriteit is bevoegd met betrekking tot ongeoorloofd aanwezig bevonden splijtstoffen en ertsen en de voorwerpen, welke tot hun verpakking of berging dienen of hebben gediend, een last onder bestuursdwang op te leggen. 4. Door toepassing van bestuursdwang in bezit genomen goederen worden overgedragen aan een door de Autoriteit aan te wijzen instelling of persoon. Deze doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een aanwijzing. 1. Hij, die bevoegd is de in bezit genomen splijtstoffen of ertsen onder zich te hebben, kan binnen drie maanden na de in artikel 22, vierde lid, bedoelde kennisgeving de afgifte van de in bezit genomen goederen vorderen bij een verzoekschrift, te richten tot de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de inbezitneming heeft plaats gevonden. 2. De rechtbank behandelt het verzoek overeenkomstig de bepalingen van de zesde afdeling van Titel I van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering en beslist zo spoedig mogelijk bij met redenen omklede beschikking. 1. Ingeval niet binnen de in artikel 23, eerste lid, genoemde termijn een verzoekschrift is ingediend of ingeval een krachtens dat lid gedaan verzoek ongegrond is verklaard, vervallen alle rechten op de in bezit genomen goederen aan de staat, met uitzondering van de rechten, welke ingevolge internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties daarop rusten. De krachtens artikel 22, vierde lid, aangewezen instelling of persoon doet hiervan mededeling in de Staatscourant. 2. Hij, wiens rechten ingevolge het eerste lid aan de staat zijn vervallen, kan binnen een jaar na de krachtens het eerste lid gedane kennisgeving deze rechten van de staat terugvorderen. Hoofdstuk III Splijtstoffen, ertsen en inrichtingen – Afdeling 5 Algemeen 1. De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als in dit hoofdstuk bedoeld wordt Ons gedaan, indien het betreft: a. een maatregel als in artikel 13 of 14 bedoeld: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; b. een maatregel als in artikel 15b bedoeld: door Onze Ministers, wie het aangaat; c. een maatregel als in artikel 16, 17 of 21 bedoeld: door Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2. Ten aanzien van bij een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens artikel 14, geregelde onderwerpen, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu nadere regels stellen. Hoofdstuk IV Radioactieve stoffen en toestellen – Afdeling 1 Radioactieve stoffen Ieder die radioactieve stoffen bereidt, vervoert, voorhanden heeft, toepast, binnen of buiten Nederlands grondgebied brengt of doet brengen, dan wel zich daarvan ontdoet, is verplicht daaromtrent een administratie te voeren, overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. 1. Het is verboden zonder vergunning van de Autoriteit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen radioactieve stoffen of in daarbij aan te wijzen gevallen radioactieve stoffen te bereiden, te vervoeren, voorhanden te hebben, toe te passen, binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen of te doen brengen, dan wel zich daarvan te ontdoen. 2. Voor zover het bij of krachtens het eerste lid bepaalde afwijkt van bij of krachtens andere wetten gestelde regelen, blijven deze buiten toepassing. 1. Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 29 zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing. 2. In afwijking van het eerste lid zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 29: a. voor het vervoeren, het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer, het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van radioactieve stoffen, dan wel het voorhanden hebben of zich ontdoen van zodanige stoffen die zullen ontstaan tijdens het gebruik van splijtstoffen in een inrichting of uitrusting, ten aanzien waarvan een vergunning krachtens artikel 15, onder b of c, is vereist; b. voor het bereiden, voorhanden hebben, toepassen of zich ontdoen van radioactieve stoffen in overeenkomstige gevallen als bedoeld in artikel 17, derde lid; c. voor medische toepassingen, indien naar het oordeel van de Autoriteit het belang van de patiënt onverwijlde toepassing van die stoffen vereist. In gevallen als bedoeld in de eerste volzin is met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwetparagraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning. 3. De artikelen 15c, eerste lid, 16 en 17a zijn van overeenkomstige toepassing. 1. Aan een vergunning worden met inachtneming van de dienaangaande bij algemene maatregel van bestuur gestelde regelen de met het oog op de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen nodige voorschriften verbonden. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen van de betrokken activiteit voor mensen, dieren, planten en goederen niet kunnen worden voorkomen, worden daaraan de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. 2. Zodanige voorschriften kunnen de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen, die bij het voorschrift zijn aangewezen, gestelde nadere eisen. Bij het stellen van zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis de verplichting ingaat. 3. Een vergunning kan ter bescherming van de in het eerste lid genoemde belangen onder beperkingen worden verleend. 4. De artikelen 18a tot en met 20a zijn van overeenkomstige toepassing. 1. Onverminderd het in artikel 29 bepaalde kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot radioactieve stoffen met het oog op de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen of in het belang van de beveiliging van die stoffen. 2. Hiertoe kunnen behoren: a. regelen, welke voorwaarden inhouden, waaraan degene, die bij de maatregel aangewezen radioactieve stoffen bereidt, vervoert, voorhanden heeft of toepast, dan wel zich daarvan ontdoet, moet voldoen; b. regelen betreffende de plaatsen, waar, de wijze, waarop en de omstandigheden, waaronder bij de maatregel aangewezen radioactieve stoffen mogen worden bereid, vervoerd, voorhanden gehouden of toegepast, en de wijze, waarop en de omstandigheden, waaronder men zich van deze stoffen mag ontdoen; c. regelen, welke voorwaarden inhouden, waaraan vervoermiddelen, waarmede bij de maatregel aangewezen radioactieve stoffen worden vervoerd, moeten voldoen. 3. Een algemene maatregel van bestuur, waarbij regelen als in het tweede lid, onder a, b of c, bedoeld worden gesteld, kan tevens de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen, die bij de maatregel zijn aangewezen, aan de betrokkene gestelde nadere eisen. Bij het stellen van zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis de verplichting ingaat. 4. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan een verplichting worden opgelegd tot het melden van bij die maatregel aangewezen handelingen. 5. Ten aanzien van het bepaalde in het vierde lid zijn de artikelen 4.4, eerste lid, 4.5 en 4.22, tweede lid, van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «Onze Minister» wordt verstaan: Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Infrastructuur en Milieu. 6. Indien bij een algemene maatregel van bestuur als in het eerste lid bedoeld wordt afgeweken van bij of krachtens andere wetten gestelde regelen, blijven deze in zoverre buiten toepassing. 1. Ieder, die zonder daartoe bevoegd te zijn radioactieve stoffen dan wel stoffen, waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het radioactieve stoffen zijn, onder zich heeft of krijgt, is verplicht daarvan terstond aangifte te doen bij de Autoriteit. 2. De Autoriteit geeft van de gedane aangifte kennis aan de burgemeester van de gemeente, waar die goederen zich bevinden. 3. De krachtens artikel 58, eerste lid, onderdeel b, aangewezen ambtenaren en de Autoriteit zijn bevoegd met betrekking tot ongeoorloofd aanwezig bevonden radioactieve stoffen en de voorwerpen, welke tot hun verpakking of berging dienen of hebben gediend, een last onder bestuursdwang op te leggen. 4. Door toepassing van bestuursdwang in bezit genomen goederen worden overgedragen aan een door de Autoriteit aan te wijzen instelling of persoon. Deze doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een aanwijzing. 5. De artikelen 23 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk IV Radioactieve stoffen en toestellen – Afdeling 2 Toestellen 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen regelen worden gesteld betreffende toestellen. 2. Hiertoe kunnen behoren: a. regelen, welke een verbod inhouden bij de maatregel aangewezen toestellen te gebruiken, voor zover naar Ons oordeel het nut van het gebruik daarvan niet opweegt tegen de nadelige gevolgen voor de openbare gezondheid; b. regelen, welke een verbod inhouden bij de maatregel aangewezen toestellen te gebruiken zonder vergunning; c. regelen, welke voorwaarden inhouden, waaraan degene, die bij de maatregel aangewezen toestellen gebruikt, moet voldoen; d. regelen, welke voorwaarden inhouden, waaraan bij de maatregel aangewezen toestellen moeten voldoen; e. regelen betreffende de plaatsen, waar, de wijze, waarop en de omstandigheden, waaronder bij de maatregel aangewezen toestellen mogen worden gebruikt; f. regelen, welke de verplichting inhouden tot melding van het gebruik van bij de maatregel aangewezen toestellen. 3. In geval van toepassing van het tweede lid, onder b, zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing, voor zover dat bij die regelen is bepaald. De artikelen 15c, eerste lid, 16, eerste lid, en 17a zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Een vergunning als bedoeld in het tweede lid, onder b, kan ter bescherming tegen nadelige gevolgen voor mensen, dieren, planten of goederen onder beperkingen worden verleend. 5. Aan een vergunning als in het tweede lid, onder b, bedoeld kunnen voorschriften worden verbonden. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen van de betrokken activiteit voor mensen, dieren, planten en goederen niet kunnen worden voorkomen, worden daaraan de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. 6. Zodanige voorschriften kunnen, voor zover bij de maatregel niet anders is bepaald, de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen, die bij het voorschrift zijn aangewezen, gestelde nadere eisen. Bij het stellen van zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis de verplichting ingaat. 7. De artikelen 18a tot en met 20a zijn van overeenkomstige toepassing. 8. Een algemene maatregel van bestuur, waarbij regelen als in het tweede lid, onder c, d of e, bedoeld worden gesteld, kan tevens de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen, die bij de maatregel zijn aangewezen, aan de betrokkene gestelde nadere eisen. Het vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. 9. Indien bij een algemene maatregel van bestuur als in het eerste lid bedoeld wordt afgeweken van bij of krachtens andere wetten gestelde regelen, blijven deze in zoverre buiten toepassing. Hoofdstuk IV Radioactieve stoffen en toestellen – Afdeling 3 Algemeen De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur krachtens dit hoofdstuk wordt Ons gedaan door Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de maatregel betrekking heeft op medische stralingstoepassingen, wordt de voordracht mede door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedaan. Hoofdstuk V Maatregelen met betrekking tot werkzaamheden of verblijf in ruimten 1. Indien ten aanzien van een inrichting als in artikel 15, onder b, bedoeld of ten aanzien van een uitrusting als in dat artikel, onder c, bedoeld, welke in een vaartuig of ander vervoermiddel is of wordt aangebracht, dan wel ten aanzien van splijtstoffen, ertsen, radioactieve stoffen of toestellen in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde is gehandeld, kunnen de krachtens artikel 58, eerste lid, aangewezen ambtenaren, ingeval dit handelen naar hun oordeel ten gevolge heeft, dat personen door het verrichten van werkzaamheden in bepaalde ruimten of door het verblijf in die ruimten zich aan een aanmerkelijk gevaar blootstellen, de betrokkene bij beschikking bevelen een ieder, dan wel personen, behorende tot daarbij aangewezen categorieën, te beletten werkzaamheden in die ruimten te verrichten of aldaar te verblijven. 2. De ambtenaar, die een beschikking krachtens het eerste lid heeft vastgesteld, kan - zo nodig met behulp van de sterke arm - alle maatregelen treffen, die hij ter verzekering van de uitvoering van de beschikking nodig acht. 3. Een krachtens het eerste lid vastgestelde beschikking heeft een werkingsduur van één week, tenzij vóór het verstrijken van die termijn door de Autoriteit anders is bepaald. Hoofdstuk Va Metingen radioactiviteit en bedrijfsvoering 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld betreffende het meten van doses ioniserende straling en het bepalen van radioactieve besmetting, zomede betreffende de registratie daarvan. 2. Hiertoe kunnen behoren: a. regelen, welke voor bij de maatregel aangewezen personen de verplichting inhouden tot het bij zich dragen van een middel ter controle van de dosis ioniserende straling, waaraan zij blootgesteld zijn geweest; b. regelen, welke voor bij de maatregel aangewezen personen de verplichting inhouden tot het houden van een register, waarin wordt bijgehouden de dosis ioniserende straling, waaraan de houder is blootgesteld geweest; c. regelen, welke voor degene onder wiens verantwoordelijkheid de houder van een register als onder b bedoeld aan ioniserende straling blootgesteld is geweest, de verplichting inhouden tot het registreren van de dosis in dit register; d. regelen, welke voor bij de maatregelen aangewezen personen de verplichting inhouden tot het zich onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek in verband met stralingsgevaar; e. regelen, welke de verplichting inhouden apparaten, dienende tot het meten van doses ioniserende straling en tot het bepalen van radioactieve besmetting, te doen ijken. 1. De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als in artikel 37 bedoeld wordt gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en, indien het een maatregel betreft met het oog op de arbeidsbescherming dan wel de medische aspecten van bescherming tegen ioniserende straling, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderscheidenlijk Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 2. Ten aanzien van bij een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens het eerste lid, geregelde onderwerpen kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en, indien het een maatregel betreft met het oog op de arbeidsbescherming dan wel medische aspecten van bescherming tegen ioniserende straling, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderscheidenlijk Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nadere regels stellen. 1. Indien naar het oordeel van de Autoriteit de bedrijfsvoering van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, ernstige tekortkomingen vertoont, treft zij alle maatregelen die zij met het oog op de omstandigheden geboden achten. 2. Tot de in het eerste lid bedoelde maatregelen kunnen behoren het treffen van de nodige technische, organisatorische, personele en administratieve voorzieningen. 3. Indien de inrichting in gebruik is dan wel is bestemd voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid, oefent de Autoriteit haar bevoegdheid uit in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, onderscheidenlijk de verantwoordelijke autoriteit van de desbetreffende mogendheid. Hoofdstuk VI Bepalingen met betrekking tot interventie bij ongevallen of langdurige blootstellingen alsmede de voorbereiding daarop – Afdeling 1 Inleidende bepalingen Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; b. ongeval: gebeurtenis 1°. als gevolg waarvan straling vrijkomt of dreigt vrij te komen die tot een verhoogd risico leidt of kan leiden voor mens of milieu, of 2°. die ter voorkoming of vermindering van een verhoogd stralingsrisico voor mens of milieu een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines vergt; c. categorie A-object: 1°. een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, met uitzondering van een inrichting waarin uitsluitend splijtstoffen worden opgeslagen of verwerkt, alsmede een inrichting voor uraniumverrijking, 2°. een ruimtevaartuig of een vervoermiddel met een uitrusting als bedoeld in artikel 15, onder c, 3°. inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, uitrustingen als bedoeld in artikel 15, onder c, alsmede inrichtingen of vervoermiddelen waarin of waarmee handelingen worden verricht als bedoeld in artikel 15, onder a, met betrekking tot splijtstoffen of ertsen voor zover bestemd voor of in gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid, of 4°. een met een object als bedoeld onder 1° tot en met 3° en onder d vergelijkbaar object buiten Nederland; d. categorie B-object: 1°. een inrichting voor uraniumverrijking, 2°. een inrichting waarin uitsluitend splijtstoffen of radioactieve stoffen worden opgeslagen of verwerkt, 3°. een inrichting waarin radioactieve stoffen kunnen worden bereid of toegepast, 4°. een inrichting waarin zich toestellen bevinden, 5°. een vervoermiddel waarin zich splijtstoffen of ertsen bevinden, of 6°. een vervoermiddel waarin zich radioactieve stoffen of toestellen bevinden; e. radiologische noodsituatie: een situatie die een dringend optreden vereist om mensen, dieren, planten en goederen tegen blootstelling aan ioniserende straling te beschermen; f. interventie: een verrichting, bestaande uit het treffen van maatregelen bij stralingsbronnen, stralingsroutes en mensen, dieren, planten en goederen, ter voorkoming of vermindering van de blootstelling aan ioniserende straling van mensen, dieren, planten en goederen ten gevolge van: 1°. een radiologische noodsituatie, of 2°. een langdurige blootstelling tengevolge van een radiologische noodsituatie of een handeling of werkzaamheid met splijtstoffen, radioactieve stoffen of toestellen die in het verleden heeft plaatsgevonden. 1. Onze Minister en Onze Minister wie het aangaat zijn verantwoordelijk voor de voorbereiding van interventies en voor de coördinatie en uitvoering daarvan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent deze voorbereiding, uitvoering en coördinatie regels worden gesteld. 2. De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan door Onze Minister en Onze Minister wie het aangaat. 1. Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich een ongeval voordoet met een categorie A- of B-object is verplicht dit terstond te melden aan de burgemeester van de gemeente, waar hij zich bevindt en aan de Autoriteit. 2. De exploitant van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, verschaft de burgemeester en de Autoriteit, al of niet op hun verzoek, onverwijld alle informatie die bij de uitoefening van hun taak nodig is. Hoofdstuk VI Bepalingen met betrekking tot interventie bij ongevallen of langdurige blootstellingen alsmede de voorbereiding daarop – Afdeling 2 Organisatie en coördinatie 1. Onze Minister en Onze Minister wie het aangaat, zijn verantwoordelijk voor de voorbereiding van de organisatie ten behoeve van een doelmatige bestrijding van ongevallen binnen of buiten Nederland met categorie A-objecten en voor de coördinatie van die bestrijding. Zij bevorderen voorts in het bijzonder het houden van oefeningen en de totstandkoming van afspraken, die nodig zijn voor een doelmatige bestrijding van deze ongevallen. 2. Het bestuur van de veiligheidsregio is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de organisatie ten behoeve van een doelmatige bestrijding van ongevallen met categorie B-objecten. De burgemeester is verantwoordelijk voor de coördinatie van die bestrijding. De voorbereiding door het bestuur van de veiligheidsregio van de bestrijding van ongevallen met categorie A-objecten en categorie B-objecten geschiedt overeenkomstig paragraaf 3 van de Wet veiligheidsregio’s. Bij de voorbereiding houdt het bestuur van de veiligheidsregio rekening met de, overeenkomstig artikel 40, eerste lid, tot stand gekomen afspraken. 1. Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister wie het aangaat, gelet op de meer dan plaatselijke betekenis van een ongeval met een categorie B-object, zoveel mogelijk na overleg met de burgemeester van de gemeente waar zich dat ongeval heeft voorgedaan en de voorzitter van de veiligheidsregio, besluiten dat een ongeval met een categorie B-object wordt bestreden als een ongeval met een categorie A-object. 2. De burgemeester van de gemeente waar zich dat ongeval heeft voorgedaan, of de voorzitter van de veiligheidsregio kan Onze Minister verzoeken gebruik te maken van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid. Hoofdstuk VI Bepalingen met betrekking tot interventie bij ongevallen of langdurige blootstellingen alsmede de voorbereiding daarop – Afdeling 3 Informatieverstrekking 1. Onze Minister en Onze Minister wie het aangaat, dragen er zorg voor dat de Nederlandse bevolking op passende wijze informatie wordt verstrekt over mogelijke ongevallen met een categorie A-object, de maatregelen ter voorkoming en bestrijding daarvan, daaronder begrepen maatregelen ter bescherming van de gezondheid, en de bij deze ongevallen te volgen gedragslijn. 2. De in het eerste lid bedoelde informatie heeft in ieder geval betrekking op: a. gegevens inhoudende basiskennis over radioactiviteit en de gevolgen daarvan op mens en milieu; b. de gevaren en de gevolgen van een ongeval; c. de wijze waarop de bevolking bij een ongeval wordt gewaarschuwd, op de hoogte gehouden en beschermd; d. de wijze waarop de bevolking dreigend gevaar kan herkennen; e. de door de bevolking te volgen gedragslijn en de maatregelen die zij bij een ongeval dient te treffen om de schadelijke gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken. 3. De verschaffing van de informatie, bedoeld in het tweede lid, onder c, d en e, geschiedt ten minste één maal per jaar en daarnaast wanneer in de beschreven maatregelen significante wijzigingen worden aangebracht. Voor zover nodig wordt de te verstrekken informatie dan bijgewerkt. 4. De verschaffing van de informatie, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, geschiedt ten minste één maal per vijf jaar en daarnaast wanneer in de beschreven maatregelen significante wijzigingen worden aangebracht. Voor zover nodig wordt de te verstrekken informatie dan bijgewerkt. 5. Onze Minister en Onze Minister wie het aangaat verschaffen de informatie, bedoeld in het vierde lid, eerder en werken deze eerder bij, indien naar hun oordeel ontwikkelingen in de kennis over de veiligheid, over de beoordeling van risico’s of over een doelmatige ongevallenbestrijding hiertoe nopen. 1. Onze Minister en Onze Minister wie het aangaat, dragen er zorg voor dat de bevolking die wordt getroffen door een ongeval met een categorie A-object of door een ongeval met een categorie B-object dat krachtens artikel 42 als een ongeval met een categorie A-object wordt bestreden, onverwijld en bij herhaling doelmatige informatie wordt verstrekt over de te volgen gedragslijn en de maatregelen die zijn getroffen ter bestrijding van dat ongeval, daaronder begrepen maatregelen ter bescherming van de gezondheid. 2. De in het eerste lid bedoelde informatie heeft in ieder geval betrekking op: a. het ongeval, met name over de oorzaak, de omvang en de te verwachten gevolgen voor mens en milieu, alsmede over het te verwachten verloop van het ongeval; b. de wijze waarop de bevolking wordt gewaarschuwd, op de hoogte gehouden en beschermd; c. instructies aan de bevolking die afhankelijk van de aard van het ongeval betrekking kunnen hebben op onder meer het gebruik van verontreinigde levensmiddelen, de hygiëne en ontsmetting, het verblijf binnenshuis, distributie en gebruik van beschermende stoffen en evacuatie; d. de diensten of personen bij wie nadere informatie kan worden ingewonnen. 1. De Autoriteit draagt er zorg voor dat de Nederlandse bevolking op passende wijze, in ieder geval langs elektronische weg op een algemeen toegankelijke wijze, informatie wordt verstrekt over ongewone gebeurtenissen binnen inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, en, voor zover daarover informatie beschikbaar is, over ongewone gebeurtenissen binnen vergelijkbare buitenlandse inrichtingen in de nabijheid van Nederland. 2. De Autoriteit bericht Onze Minister jaarlijks vóór 1 juli over de ongewone gebeurtenissen die in het voorgaande jaar hebben plaatsgevonden. 3. Bij de informatieverstrekking en het bericht wordt in ieder geval ingegaan op de oorzaak, omvang en gevolgen van de ongewone gebeurtenissen, alsmede op de bij de ongewone gebeurtenissen genomen maatregelen. Onze Minister, Onze Minister wie het aangaat, en het bestuur van de veiligheidsregio dragen er zorg voor dat de personen werkzaam bij diensten of organisaties die kunnen worden ingeschakeld bij de bestrijding van een ongeval met een categorie A-object of van een ongeval met een categorie B-object dat krachtens artikel 42 als een ongeval met een categorie A-object wordt bestreden, regelmatig worden geïnformeerd over de tot deze categorie behorende ongevallen, over de risico’s die zij bij de uitvoering van hun taak lopen, en over de daarbij te nemen voorzorgsmaatregelen. 1. De verstrekking van informatie aan de bevolking en aan personen die bij de bestrijding van een ongeval met een categorie B-object zijn betrokken, geschiedt overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7 en 46 van de Wet veiligheidsregio’s. 2. Het bestuur van de veiligheidsregio draagt er zorg voor dat de door hem verstrekte informatie in overeenstemming is met de informatie, bedoeld in artikel 43, tweede lid, onder a en b. Hoofdstuk VI Bepalingen met betrekking tot interventie bij ongevallen of langdurige blootstellingen alsmede de voorbereiding daarop – Afdeling 4 Regels en maatregelen bij een ongeval met een categorie A- of een categorie B-object 1. Indien zich een ongeval voordoet met een categorie A-object of met een categorie B-object dat krachtens artikel 42 als een ongeval met een A-object wordt bestreden, stelt Onze Minister wie het aangaat, regels of treft hij maatregelen, zo nodig met behulp van de sterke arm, om de gevolgen van dat ongeval zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 2. De in het eerste lid bedoelde regels en maatregelen kunnen onder meer betrekking hebben op: a. de toegang van mensen, dieren, planten of goederen tot het verontreinigde gebied, b. het verblijf binnenshuis van mens en dier, c. het brengen van mensen, dieren, planten of goederen binnen het verontreinigde gebied naar elders binnen of buiten het verontreinigde gebied, d. het uitwendig ontsmetten en het behandelen van inwendige besmetting van mensen, alsmede het verstrekken

    The text continues in the official source.

    Related guides, FAQ and contract templates