Beta
BWBR0002240
BWBR0002240 — Algemene toeslagwet voor gepensioneerde militairen 1956
Beta. Legal information, not legal advice. LEGALDIGM is not a law firm. Check the official source for the current text.
1. Deze wet verstaat onder pensioen: het nominale bedrag, zoals dit laatstelijk is of wordt vastgesteld, van een pensioen ten laste van het Rijk of van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, toegekend krachtens of op de voet van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 (Stb. 65), de Pensioenwet voor de landmacht 1922 (Stb. 66), de Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marine-reserve 1923 (Stb 355), de Pensioenwet voor het reserve-personeel der landmacht 1923 (Stb. 356) - met uitzondering van een pensioen toegekend krachtens de artikelen 20 van genoemde wetten -, de Pensioenwet voor de vrijwilligers bij de landstorm 1925 (Stb. 278), onderscheidenlijk krachtens of op de voet van de Militaire Weduwenwet 1922 (Stb. 337), dan wel een der aan genoemde wetten voorafgaande regelingen of wetten betreffende pensioenaanspraken, welke daarna in eerstbedoelde wetten zijn geregeld of geacht worden te zijn geregeld.
2. Deze wet begrijpt mede onder pensioen: de wettelijke verhogingen en aanvullingen, met uitzondering van:
a. de toeslagen en de extra bijslag verleend krachtens: 1. de wet van 1 november 1948 (Stb. I 479), 2. de wet van 5 november 1948 (Stb. I 498), 3. de wet van 9 november 1950 (Stb. K 502); 4. de Toeslagwet-1954 voor gepensioneerden (Stb. 1954, 188), 5. de Aanpassingstoeslagwet voor gepensioneerden (Stb. 1954, 377), 6. de Nadere Toeslagwet-1954 voor gepensioneerde militairen (Stb. 1956, 342);
b. de pensioensverhogingen, gegrond op de artikelen 22 van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 en de Pensioenwet voor de landmacht 1922 of op de artikelen 25 en 28 van de Militaire Weduwenwet 1922.
1. Voor zover het recht op pensioen op het tijdstip van het in werking treden van deze wet niet is vervallen, worden de pensioenen met ingang van dat tijdstip of van het later tijdstip, waarop zij zullen ingaan, met inachtneming van de volgende bepalingen, ambtshalve verhoogd met een toeslag, verder te noemen algemene toeslag.
2. Op het tijdstip, met ingang waarvan een pensioen is verhoogd met een algemene toeslag of met een overgangstoeslag, als bedoeld in artikel 15, vervallen de toeslagen en de extra bijslag, welke, krachtens de in artikel 1, tweede lid, onder a genoemde wetten, op een pensioen zijn verleend.
1. De algemene toeslag wordt uitgedrukt in een percentage van het pensioen, verder te noemen verhogingspercentage.
2. De berekening van het verhogingspercentage geschiedt met behulp van grondgetallen. Elk grondgetal heeft betrekking op het daarbij in artikel 4 aangegeven tijdvak.
1. Voor de berekening van het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens of op de voet van een der wetten, genaamd in artikel 1, eerste lid, aan militairen der zeemacht en aan nabestaanden man militairen of gepensioneerde militairen der zeemacht zijn of worden toegekend - met uitzondering van die, genoemd in het derde lid - hebben de in onderstaande kolommen vermelde grondgetallen betrekking op de daarnaast vermelde tijdvakken en de daarboven vermelde rangen en stand of de door Ons of door Onze Minister van Marine daarmede gelijkgestelde rangen en stand:
Tijdvakken
Luitenant-admiraal
Vice-admiraal
Schout-bij-nacht
Commandeur
Kapitein ter zee
vóór 1 januari
1918
–
217,8
235
–
196,9
1 januari
1918 tot en met 31 december
1919
–
182,3
175,8
–
144
1 januari
1920 „ „ „ 30 april
1924
–
126,7
118
–
106,3
1 mei
1924 „ „ „ 30 september
1924
–
137,1
127,9
–
115,2
1 oktober
1924 „ „ „ 31 december
1924
–
150,1
140,4
–
127,2
1 januari
1925 „ „ „ 31 december
1925
–
138,3
132,5
–
119,7
1 januari
1926 „ „ „ 31 oktober
1928
–
128,8
132,5
–
119,7
1 november
1928 „ „ „ 31 december
1933
–
115,8
120,1
–
111,5
1 januari
1934 „ „ „ 31 december
1935
–
139,6
144,4
–
134,8
1 januari
1936 „ „ „ 31 juli
1941
–
152,1
157,1
–
147
1 augustus
1941 „ „ „ 31 december
1943
–
139,6
144,4
–
134,8
1 januari
1944 „ „ „ 31 december
1944
125,1
139,6
144,4
–
134,8
1 januari
1945 „ „ „ 30 juni
1947
101,1
119,4
123,8
–
99,9
1 juli
1947 „ „ „ 31 december
1949
65,1
71,5
71,3
–
51,8
1 januari
1950 „ „ „ 31 augustus
1950
56,9
62,9
62,7
–
44,1
1 september
1950 „ „ „ 15 maart
1951
49,8
55,5
55,3
–
37,6
16 maart
1951 „ „ „ 31 maart
1952
–
53,1
52,7
–
–
1 april
1951 „ „ „ 31 december
1952
–
45,1
48,2
–
–
16 maart
1951 „ „ „ 31 december
1952
47,8
–
–
–
35,1
1 januari
1953 „ „ „ 31 december
1953
34,8
25,9
26,4
–
26,1
1 januari
1954 „ „ „ 31 december
1954
19,2
19,9
20,2
21,1
20,6
1 januari
1955 „ „ „ 30 juni
1955
10,3
10,9
11,2
12
11,6
1 juli
1955 „ „ „ 31 december
1956
8
8
8
8
8
1 januari
1957
0
0
0
0
0
Tijdvakken
Kapitein-luitenant ter zee
Luitenant ter zee der 1e klasse
Luitenant ter zee der 2e klasse oudste categorie en luitenant ter zee der 2e klasse tot 1 januari 1955
Luitenant ter zee der 2e klasse jongste categorie en luitenant ter zee der 3e klasse van 1 juli 1945 tot 1 januari 1955
Luitenant ter zee der 3e klasse en adelborst der 1e klasse van 1 juli 1945 tot 1 januari 1955
vóór 1 januari
1918
230,4
263,4
329,8
–
302,4
1 januari
1918 tot en met 31 december
1919
138,2
118,4
177,7
–
224,7
1 januari
1920 „ „ „ 30 april
1924
100,8
89,5
137,5
–
105,7
1 mei
1924 „ „ „ 30 september
1924
109,6
97,6
146,2
–
111,1
1 oktober
1924 „ „ „ 31 december
1924
121
108,5
159,7
–
123
1 januari
1925 „ „ „ 31 december
1925
123,9
115,9
142,8
–
169,6
1 januari
1926 „ „ „ 31 oktober
1928
123,9
112,5
137,5
–
157,1
1 november
1928 „ „ „ 31 december
1933
114,5
102,8
122,9
–
145,7
1 januari
1934 „ „ „ 31 december
1935
138,2
125,1
147,3
–
172,2
1 januari
1936 „ „ „ 31 juli
1941
150,5
136,8
149,8
–
186,1
1 augustus
1941 „ „ „ 31 december
1943
138,2
125,1
137,5
–
172,2
1 januari
1944 „ „ „ 31 december
1944
138,2
125,1
137,5
–
148,1
1 januari
1945 „ „ „ 30 juni
1947
101,3
97,1
117,6
97,6
129,5
1 juli
1947 „ „ „ 31 december
1949
46,9
43,7
53,5
45,8
54,7
1 januari
1950 „ „ „ 31 augustus
1950
39,5
36,4
45,4
38,1
45,9
1 september
1950 „ „ „ 15 maart
1951
33,2
30,2
38,9
31,9
39,5
16 maart
1951 „ „ „ 31 december
1952
30,7
27,5
35
27,9
30,9
1 januari
1953 „ „ „ 31 december
1953
22,1
19,5
27,9
21,6
28,4
1 januari
1954 „ „ „ 31 december
1954
20,9
20,2
19,6
19,2
19,1
1 januari
1955 „ „ „ 30 juni
1955
11,9
11,2
10,7
10,3
10,3
1 juli
1955 „ „ „ 31 december
1956
8
8
8
8
7,9
1 januari
1957
0
0
0
0
0
Tijdvakken
Adjudant-onderofficier
Sergeant-majoor
Sergeant
Korporaal
Matroos
vóór 1 januari
1918
345,5
360,1
374,4
534,5
529,2
1 januari
1918 tot en met 31 december
1919
194,2
197,2
218,4
248,8
268,9
1 januari
1920 „ „ „ 30 april
1924
123,3
115,5
117,5
126,3
138,5
1 mei
1924 „ „ „ 30 september
1924
129,8
120,8
121,9
132,1
143,1
1 oktober
1924 „ „ „ 31 december
1924
142,3
132,2
134,6
144,7
155,6
1 januari
1925 „ „ „ 31 december
1925
145,3
162,6
162,7
161,2
172,3
1 januari
1926 „ „ „ 31 oktober
1928
140,9
157
156,5
156,3
166,5
1 november
1928 „ „ „ 31 december
1933
132,4
141,5
141,5
142,5
158,2
1 januari
1934 „ „ „ 31 december
1935
157,7
167,6
167,8
169
186
1 januari
1936 „ „ „ 31 juli
1941
171
181,5
181,5
182,4
200,5
1 augustus
1941 „ „ „ 31 december
1943
157,7
167,6
167,8
169
186
1 januari
1944 „ „ „ 31 december
1944
157,7
145,4
143,8
144,9
160,3
1 januari
1945 „ „ „ 30 juni
1947
124,3
116,9
121,9
111,7
139,9
1 juli
1947 „ „ „ 31 december
1949
52,4
52,2
54,8
55,7
55,9
1 januari
1950 „ „ „ 31 augustus
1950
44,3
44
46,4
45,1
45
1 september
1950 „ „ „ 15 maart
1951
37,9
37,6
39,9
38,7
38,6
16 maart
1951 „ „ „ 31 december
1952
32,8
31,6
33,2
31,5
31,2
1 januari
1953 „ „ „ 31 december
1953
27,8
27,9
30,4
28,6
28,1
1 januari
1954 „ „ „ 31 december
1954
18,5
18,8
19
19,6
20
1 januari
1955 „ „ „ 30 juni
1955
9,8
10
10,1
10,9
11
1 juli
1955 „ „ „ 31 december
1956
8
8
7,9
8,2
8,1
1 januari
1957
0
0
0
0
0
2. Voor de berekening van het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens of op de voet van een der wetten, genoemd in artikel 1, eerste lid, aan militairen der Koninklijke landmacht of luchtmacht en aan nabestaanden van militairen of gepensioneerde militairen der Koninklijke landmacht of luchtmacht zijn of worden toegekend - met uitzondering van die, genoemd in het derde lid - hebben de in onderstaande kolommen vermelde grondgetallen betrekking op de daarnaast vermelde tijdvakken en de daarboven vermelde rangen en stand en klassen of de door Ons of door Onze Minister van Oorlog daarmede gelijkgestelde rangen en stand der klassen:
Tijdvakken
Generaal
Luitenant–generaal
Generaal–majoor
Brigade–generaal Comodore
Kolonel
vóór 1 januari
1918
–
247,3
270,5
–
269,1
1 januari
1918 tot en met 31 december
1919
–
182,6
191,7
–
177,7
1 januari
1920 „ „ „ 30 april
1924
–
130,8
127,1
–
122,3
1 mei
1924 „ „ „ 30 september
1924
–
146,5
142,9
–
138,3
1 oktober
1924 „ „ „ 31 december
1924
–
160
156,2
–
151,5
1 januari
1925 „ „ „ 31 december
1925
–
151,4
155,5
–
141,8
1 januari
1926 „ „ „ 31 oktober
1928
–
151,4
155,5
–
141,8
1 november
1928 „ „ „ 31 december
1933
–
135,8
140,6
–
131,8
1 januari
1934 „ „ „ 31 december
1935
–
161,8
167,1
–
157,3
1 januari
1936 „ „ „ 31 juli
1941
–
175,5
181,1
–
170,7
30 augustus
1939 „ „ „ 30 september
1945
97,5
–
–
–
–
1 augustus
1941 „ „ „ 31 december
1943
–
161,8
167,1
–
157,3
1 januari
1944 „ „ „ 31 december
1944
–
161,8
167,1
–
157,3
1 januari
1945 „ „ „ 31 december
1947
–
125,6
124,8
–
109,2
1 januari
1948 „ „ „ 31 december
1949
–
88,3
89
–
81,4
1 mei
1949 „ „ „ 30 juni
1950
79,8
–
–
–
–
1 januari
1950 „ „ „ 31 augustus
1950
–
79,4
80,1
–
72,8
1 juli
1950 „ „ „ 31 maart
1952
69,7
–
–
–
–
1 september
1950 „ „ „ 31 december
1950
–
71,3
72
–
65,1
1 januari
1951 „ „ „ 15 maart
1951
–
71,3
70,3
–
61,5
16 maart
1951 „ „ „ 31 maart
1952
–
68,7
67,4
–
58,4
1 april
1952 „ „ „ 31 december
1952
50
45,1
48,2
45
44,8
1 januari
1953 „ „ „ 31 december
1953
25,1
25,9
26,4
35,2
35,3
1 januari
1954 „ „ „ 31 december
1954
19,2
19,9
20,2
21
20,6
1 januari
1955 „ „ „ 31 juli
1955
10,2
10,9
11,1
11,9
11,5
1 augustus
1955 „ „ „ 31 december
1956
8
8
8
8
8
1 januari
1957
0
0
0
0
0
Tijdvakken
Luitenant-kolonel
Majoor
Kapitein
Eerste luitenant
Tweede luitenant
vóór 1 januari
1918
278
264,6
243,3
270,7
568,6
1 januari
1918 tot en met 31 december
1919
171,2
156,5
130,4
156,1
397,1
1 januari
1920 „ „ „ 30 april
1924
117,1
100,6
70,3
99,5
215,2
1 mei
1924 „ „ „ 30 september
1924
133,2
116
83,3
116,6
223,1
1 oktober
1924 „ „ „ 31 december
1924
145,9
127,7
93,5
128,5
241,6
1 januari
1925 „ „ „ 31 december
1925
149,1
129,3
107,6
136,2
276,5
1 januari
1926 „ „ „ 31 oktober
1928
149,1
125,3
107,6
104,4
243,1
1 november
1928 „ „ „ 31 december
1933
137,6
117,8
99,7
104,4
228,6
1 januari
1934 „ „ „ 31 december
1935
163,7
141,7
121,6
126,8
264,1
1 januari
1936 „ „ „ 31 juli
1941
177,4
154,2
133,2
138,6
282,6
1 augustus
1941 „ „ „ 31 december
1943
163,7
141,7
121,6
126,8
264,1
1 januari
1944 „ „ „ 31 december
1944
163,7
141,7
121,6
126,8
264,1
1 januari
1945 „ „ „ 31 december
1947
108,5
87,3
68,9
71
91,5
1 januari
1948 „ „ „ 31 december
1949
75,7
68,2
68,9
71
120,5
1 januari
1950 „ „ „ 31 augustus
1950
67,4
60,3
61,1
71
107,3
1 september
1950 „ „ „ 31 december
1950
59,8
53,1
53,8
65,5
101
1 januari
1951 „ „ „ 15 maart
1951
60,2
51,7
52,8
65,9
97
16 maart
1951 „ „ „ 31 december
1952
56,3
49,2
49,1
59,3
88,4
1 januari
1953 „ „ „ 31 december
1953
46,8
40,8
42,1
53,5
84,6
1 januari
1954 „ „ „ 31 december
1954
20,9
19,8
19,4
19,1
19
1 januari
1955 „ „ „ 31 juli
1955
11,8
10,8
10,5
10,2
10
1 augustus
1955 „ „ „ 31 december
1956
8
8
8
8
8
1 januari
1957
0
0
0
0
0
Tijdvakken
Onder–luitenant
Adjudant–onderofficier
Sergeant–majoor
Sergeant der 1e klasse
Sergeant
vóór 1 januari
1918
–
378,3
411,6
516,7
484,4
1 januari
1918 tot en met 31 december
1919
–
192,4
196,9
265,3
282,2
1 januari
1920 „ „ „ 30 april
1924
–
112,5
124,2
138,3
129,1
1 mei
1924 „ „ „ 30 september
1924
–
134
147,3
144,3
152,7
1 oktober
1924 „ „ „ 31 december
1924
–
147
161,6
158,4
166,1
1 januari
1925 „ „ „ 31 december
1925
–
165,3
177,5
178,1
191,1
1 januari
1926 „ „ „ 31 oktober
1928
–
142,8
155,3
148,5
157,4
1 november
1928 „ „ „ 31 december
1933
–
138,7
136,3
138,3
146
1 januari
1934 „ „ „ 31 december
1935
–
164,8
162,1
164,3
172,7
1 januari
1936 „ „ „ 31 juli
1941
–
178,4
175,6
177,9
186,7
1 augustus
1941 „ „ „ 31 december
1943
–
164,8
162,1
164,3
172,7
1 januari
1944 „ „ „ 31 december
1944
–
164,8
138,6
140,7
148,4
1 januari
1945 „ „ „ 31 decembe
1947
–
93,6
79
77,9
81,2
1 januari
1948 „ „ „ 31 december
1949
–
65
60,3
56,1
60,9
1 januari
1950 „ „ „ 31 augustus
1950
–
57,3
52,8
48,8
53,4
1 september
1950 „ „ „ 31 december
1950
59,3
50,2
46
42,2
46,5
1 januari
1951 „ „ „ 15 maart
1951
44,7
50,4
45
40,3
43,3
16 maart
1951 „ „ „ 31 december
1952
39,3
43,9
39,3
33,4
37,3
1 januari
1953 „ „ „ 31 december
1953
34,5
39,8
36,1
30,9
34,9
1 januari
1954 „ „ „ 31 december
1954
18,8
18,9
19
19,6
19,2
1 januari
1955 „ „ „ 31 juli
1955
9,9
10
10
10,7
10,3
1 augustus
1955 „ „ „ 31 december
1956
7,9
8
7,9
7,9
7,9
1 januari
1957
0
0
0
0
0
Tijdvakken
Korporaal der 1e klasse
Korporaal
Soldaat der 1e klasse
Soldaat
vóór 1 januari
1918
–
538,1
–
469
1 januari
1918 tot en met 31 december
1919
–
263,1
–
178
1 januari
1920 „ „ „ 30 april
1924
–
163,8
–
98,2
1 mei
1924 „ „ „ 30 september
1924
–
199,7
–
110,8
1 oktober
1924 „ „ „ 31 december
1924
–
214,5
–
121,2
1 januari
1925 „ „ „ 31 december
1925
–
201,8
–
112,2
1 januari
1926 „ „ „ 31 oktober
1928
–
174
–
92,7
1 november
1928 „ „ „ 31 december
1933
–
158,2
–
81,6
1 januari
1934 „ „ „ 31 december
1935
–
186,3
–
101,4
1 januari
1936 „ „ „ 31 juli
1941
–
207,8
–
116,5
1 augustus
1941 „ „ „ 31 december
1943
–
192,7
–
105,8
1 januari
1944 „ „ „ 31 december
1944
–
166,5
–
87,4
1 januari
1945 „ „ „ 31 december
1947
110,6
102,1
44,5
46,9
1 januari
1948 „ „ „ 31 december
1949
61,6
69,9
53,1
53,1
1 januari
1950 „ „ „ 31 augustus
1950
51,3
58,9
42,3
42,3
1 september
1950 „ „ „ 31 december
1950
44,7
51,9
36,2
36,2
1 januari
1951 „ „ „ 15 maart
1951
43,9
52,5
35,6
35,6
16 maart
1951 „ „ „ 31 december
1952
37,3
44,2
28,9
28,9
1 januari
1953 „ „ „ 31 december
1953
35
41,5
27,7
27,7
1 januari
1954 „ „ „ 31 december
1954
19,8
20,4
21,2
21,2
1 januari
1955 „ „ „ 31 juli
1955
10,7
11,2
12,1
12,1
1 augustus
1955 „ „ „ 31 december
1956
8
7,9
7,8
7,8
1 januari
1957
0
0
0
0
3. Voor de berekening van het verhogingspercentage voor:
1°. pensioenen, welke zijn of worden toegekend met gebruikmaking van een pensioensgrondslag, berekend met inachtneming van het bepaalde bij: a. het vierde lid van de artikelen 13 der Pensioenwetten zee- en landmacht 1922 , b. het derde lid van de artikelen 14 der Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923 , c. punt b van artikel 5 der Wet buitengewoon militair pensioen 1914-1918 (Stb. 1948, I 496),
2°. pensioenen, welke zijn of worden toegekend krachtens het bepaalde in de artikelen 37, eerste lid onder 4°, 5° en 6° der Pensioenwetten zee- en landmacht 1922 en de artikelen 30, eerste lid onder 4°, 5° en 6° der Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923 ,
hebben de in onderstaande kolommen vermelde grondgetallen betrekking op de daarnaast vermelde tijdvakken:
Tijdvakken
Grondgetallen
vóór 30 juni
1947
71,1
30 juni
1947
tot en met 31 december 1947
69,4
1 januari
1948
„ „ „ 31 december 1948
62,9
1 januari
1949
„ „ „ 31 december 1949
56,9
1 januari
1950
„ „ „ 31 december 1950
46,2
1 januari
1951
„ „ „ 31 december 1951
35,7
1 januari
1952
„ „ „ 31 december 1952
32,6
1 januari
1953
„ „ „ 31 december 1953
29,6
1 januari
1954
„ „ „ 31 december 1954
17,9
1 januari
1955
„ „ „ 31 december 1955
9,6
1 januari
1956
„ „ „ 31 december 1956
4,8
1 januari
1957
0
1. Indien de periode, welke bepalend is voor de pensioensgrondslag, waarnaar het pensioen is berekend, geheel valt binnen een der in artikel 4 bedoelde tijdvakken en rangen of stand en klassen, dan wel samenvalt met een zodanig tijdvak, is het verhogingspercentage gelijk aan het grondgetal, dat betrekking heeft op bedoeld tijdvak en bedoelde rang of stand of klasse.
2. Indien de in het vorige lid bedoelde periode meer dan één tijdvak of rang of stand en klasse, als bedoeld in artikel 4, of gedeelte van een zodanig tijdvak omvat, is het verhogingspercentage gelijk aan de, over dezelfde periode en op overeenkomstige wijze als de pensioensgrondslag berekende, middelsom van de op die tijdvakken of gedeelten van tijdvakken dan wel op die rangen of stand en klassen betrekking hebbende grondgetallen.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt de daar bedoelde periode geacht zodanig te zijn verschoven, dat:
a. voor zover de laatste dag daarvan valt op de eerste tot en met de vijftiende dag van een maand, het einde daarvan geacht wordt samen te vallen met de laatste dag van de voorafgaande maand;
b. voor zover de laatste dag daarvan valt op de zestiende tot en met op één na de laatste dag van een maand, het einde daarvan geacht wordt samen te vallen met de laatste dag van de maand.
4. De verhogingspercentages, welke geen geheel getal bedragen, worden op het naastliggende gehele getal afgerond, met dien verstande, dat ½ naar boven wordt afgerond.
1. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de wet van 28 augustus 1851 (Stb. 127), de Pensioenwet voor de zeemacht 1902 of de wet van 12 juli 1895 (Stb. 104) zijn toegekend, bedraagt 481.
2. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de wet van 28 augustus 1851 (Stb. 129), de Pensioenwet voor de landmacht 1902 of de Wet voor het reserve-personeel der landmacht 1905 zijn toegekend, bedraagt 469.
3. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de Weduwenwet voor de zeemacht 1909 of het reglement voor het weduwen- en wezenfonds der militaire officieren bij de zeemacht zijn toegekend, bedraagt 481.
4. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de Weduwenwet voor de landmacht 1909 of de statuten der weduwen- of wezenkas voor de officieren van de landmacht zijn toegekend, bedraagt 469.
5. Door toepassing van het bepaalde in de vorige leden mag het totaal van het pensioen en de algemene toeslag niet leiden tot een hoger bedrag dan waarop de militair dan wel de weduwe van een militair of van een gepensioneerd militair aanspraak zou hebben gehad, indien het pensioen zou zijn berekend met toepassing van de Pensioenwet voor de zeemacht of voor de landmacht 1922 , de Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marine-reserve of voor het reserve-personeel der landmacht 1923 of de Militaire Weduwenwet 1922, zoals die wetten luiden op het tijdstip van het in werking treden van deze wet, alsmede met toepassing van de op die berekening betrekking hebbende overgangsbepaling. Bij de berekening van laatstbedoeld pensioen wordt uitgegaan van een pensioensgrondslag, afgeleid uit de op 1 januari 1957 van kracht zijnde militaire bezoldigingsregeling, daarbij rekening houdende met dezelfde rang of stand en klasse en de voor betrokkene in aanmerking komende diensttijd voor bezoldiging. Indien het totaal van het pensioen en de algemene toeslag, bedoeld in de aanhef van de eerste volzin, het pensioen, bedoeld in de tweede volzin, overschrijdt, wordt de algemene toeslag zoveel verminderd als nodig is om die overschrijding te voorkomen.
6. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke zijn berekend naar een minimum pensioensgrondslag van onderscheidenlijk f 700, f 1500 en f 2850 bedraagt onderscheidenlijk 376, 122 en 17.
1. Indien toepassing van deze wet tot gevolg zou hebben, dat het pensioen, zonder de verhoging, bedoeld in de artikelen 19 der Pensioenwetten voor de zee- en landmacht 1922 en der Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923 , vermeerderd met de bij dat pensioen behorende algemene toeslag, zou overschrijden het pensioensbedrag, dat bereikbaar is bij verhoging van de pensioensgrondslag met het verhogingspercentage van het pensioen en met inachtneming van de gunstigste pensioenberekening, wordt de algemene toeslag zoveel verminderd als nodig is om die overschrijding te voorkomen.
2. Indien het totaal van het pensioen, bedoeld in het eerste lid, van de daarbij behorende algemene toeslag, eventueel overeenkomstig dat lid verminderd, van de verhoging krachtens de in dat lid genoemde artikelen 19 en van het bij die verhoging behorende deel van de algemene toeslag, zou overschrijden de in de militaire pensioenwetgeving geldende algemene maxima, wordt het bij bedoelde verhoging behorende deel van de algemene toeslag zoveel verminderd als nodig is om die overschrijding te voorkomen.
3. Door de verminderingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, mag het totaal van het pensioen en de algemene toeslag niet dalen beneden het in artikel 15, eerste lid, bedoelde totaal van pensioen, toeslagen en extra bijslag, waarop op de dag voorafgaande aan het tijdstip van het in werking treden van deze wet aanspraak bestond.
De algemene toeslag wordt naar boven afgerond tot volle guldens.
Pensioen en algemene toeslag worden als een eenheid beschouwd, waarop de op het betreffende pensioen betrekking hebbende wettelijke bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn.
1. De algemene toeslag wordt slechts genoten over tijdvakken, waarover het pensioen wordt genoten.
2. Behoudens het bepaalde in het derde lid geschiedt de toekenning van de algemene toeslag door het orgaan, dat met de toekenning van het pensioen is belast.
3. De toekenning van de algemene toeslag op de op het tijdstip van het in werking treden van deze wet ten laste van Hoofdstuk VIII A of VIII B der Rijksbegroting verleende pensioenen geschiedt onderscheidenlijk door Onze Minister van Oorlog en van Marine.
4. De uitbetaling van de algemene toeslag geschiedt door het orgaan, dat met de uitbetaling van het pensioen is belast.
1. De kosten van de algemene toeslag op de pensioenen ten laste van het Rijk komen ten laste van Hoofdstuk VIII A of VIII B der Rijksbegroting, naar gelang de betrokken militair behoord heeft tot de Koninklijke land- of luchtmacht of de zeemacht.
2. De kosten van de algemene toeslag op de pensioenen ten laste van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds komen ten laste van Hoofdstuk V der Rijksbegroting.
De Algemene Rekenkamer toetst bij haar onderzoek naar de juistheid der betaalde bedragen aan algemene toeslag, deze uitsluitend aan de beslissingen krachtens deze wet genomen.
De Raad van State gehoord, kunnen Wij deze wet of bepaalde artikelen daarvan van toepassing verklaren op andere pensioenen.
De wetten, genoemd in artikel 1, tweede lid, onder a, vinden met ingang van het tijdstip van het in werking treden van deze wet geen toepassing meer op de pensioenen, in dier voege, dat op die pensioenen geen toeslagen en extra bijslag krachtens evenbedoelde wetten meer worden verleend.
1. Zolang het totaal van het pensioen en de algemene toeslag lager is dan het totaal van het pensioen, de toeslagen en de extra bijslag, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder a, waarop aanspraak bestond op de dag voorafgaande aan het tijdstip van het in werking treden van deze wet, wordt boven de algemene toeslag een overgangstoeslag verleend ten bedrage van het verschil tussen de bedragen van de oude en nieuwe aanspraak.
2. Zolang het totaal van het pensioen en de algemene toeslag, berekend met toepassing van het bepaalde in artikel 6, zesde lid, lager is dan het totaal van het pensioen, indien dit niet zou zijn herberekend naar een minimum pensioensgrondslag van f 2850,-, en de daarbij behorende algemene toeslag, wordt boven de algemene toeslag een overgangstoeslag verleend ten bedrage van het verschil tussen bovenbedoelde totalen.
3. De artikelen 8 tot en met 12 zijn op de overgangstoeslag van overeenkomstig toepassing.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Algemene toeslagwet voor gepensioneerde militairen 1956.
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
